Soul of a Nation. Art in the Age of Black Power

In de eerste ruimtes van ‘Tate Modern’ waar de tentoonstelling ‘Soul of a Nation. Art in the Age of Black Power’ zich bevindt lopen bezoekers zichtbaar onder de indruk rond. Sommige mensen fluisteren, maar de meesten zijn doodstil.  

Na te realiseren dat het schilderij ‘America the Beautiful’ van abstract expressionist Norman Lewis (1960) een stuk minder abstract is dat het op het eerste gezicht lijkt is ook mij de mond gesnoerd. Het lijken willekeurige witte vegen op een zwarte achtergrond, maar wie iets langer kijkt en enige kennis heeft van de Amerikaanse geschiedenis, herkent al snel de puntmutsen van Klanleden die er midden in de nacht met hun brandende fakkels en kruizen op uit trekken.

Detail uit ‘America the Beautiful’, Norman Lewis (1960)

‘Soul of a Nation’ omvat een diverse collectie politieke posters, beeldhouwwerken, schilderijen en grafiek. Het werk laat zien hoe zwarte kunstenaars zich de afgelopen eeuw hebben bewogen in een deels racistisch Amerika. 

‘American People Series No. 20, Faith Ringgold, 1967

In ‘American People Series No. 20: Die’ zien we hoe een man naar zijn hoofd grijpt en ineenzakt: hij is zojuist beschoten. Een vrouw heeft de schutter, keurig in pak, tevergeefs proberen tegen te houden. Haar jurkje zit onder de rode vlekken. 

‘American People Series No. 20, Faith Ringgold, 1967

Faith Ringgold (Harlem, 1930) staat van jongs af aan op de barricades. Door middel van haar schilderijen en quilt-kunst protesteert zij tegen raciale misstanden en herschrijft zij naar eigen zeggen de Amerikaanse geschiedenis. In een audiotour van het Museum of Modern Art in New York zegt de kunstenares: “Er waren veel rellen en gevechten op straat, en ongedocumenteerde moorden op Afro-Amerikaanse personen. Er was veel racisme. Ongelofelijk wat er gebeurde. Iedereen wist het. Iedereen sprak erover, maar we zagen er niets over op televisie. Niets”.   Een andere man ligt op de stoep, zijn hoofd in een plas bloed. Mensen rennen in paniek weg. Een vrouw struikelt. Twee kinderen klampen zich angstig aan elkaar vast. We zien een mes en een vrouw die zich, met haar kind in haar armen, zo snel mogelijk uit de voeten maakt.

Ringgold heeft een bewuste keuze gemaakt om dit tafereel dramatisch en bloederig te laten zijn. Toen de rassenrellen uiteindelijk het nieuws haalden gaven de zwart-wit beelden wat haar betreft niet voldoende weer hoeveel pijn er werd geleden. Bovendien werd vooral de materiele schade besproken. Menselijkheid werd buiten beschouwing gelaten. De waarheid als in de tijd van de Realisten: de harde waarheid van het echte leven in plaats van gepolijste Salonkunst.

Als aanschouwer wordt je meegezogen in de dynamiek van het enorme schilderij (182.9 × 365.8 cm). Door de krachtige diagonalen lijkt het alsof we kijken naar een scene die plotseling is stilgezet: we kunnen voorspellen welke gruwelen zich zullen voltrekken wanneer de film door zal spelen.   

Guernica, Pablo Picasso (1937)

Het schilderij deed mij sterk denken aan Guernica, van Pablo Picasso (1937). Het dramatische straattafereel, de tamelijk platte figuren, de dynamische compositie en de chaos zijn maar een paar van de overeenkomsten die mij opvallen. Ik blijk niet de enige te zijn die de link legt. Ook op de sites van Reality and Retrospect en het ‘National Museum of Women in the Arts’ worden overeenkomsten tussen de ellende van Picasso en die van Ringgold besproken. Faith Ringgold heeft ‘Guernica’ tijdens een reis door Europa gezien en het zelfs benoemd tot haar favoriete Picasso-werk.

De felle, ongemengde kleuren van de figuren en de jurken van de vrouwen vormen een sterk contrast met de grijze blokken op de achtergrond: als een contrast tussen de kleur van het alledaagse en het onheil dat deze mensen plotseling heeft overvallen.

Ringgold bestudeerde ontzettend veel kunst van anderen. Een van haar observaties was dat contrasten binnen witte Westerse kunst doorgaans wordt gecreëerd door middel van licht en schaduw, het zogenaamde ‘chiaroscuro’. Binnen Afrikaanse kunst wordt doorgaans gebruik gemaakt van donkere kleuren en hardere kleurcontrasten: een inspiratiebron voor de kunstenares, duidelijk zichtbaar in dit werk.   

Icon for my Man Superman (Superman Never Saved Any Black People – Bobby Seale)’, Barkley L. Hendricks (1969)

Het publiekstrekker van de tentoonstelling, ook prijkend op het bijbehorend affiche, is het schilderij ‘Icon for my Man Superman (Superman Never Saved Any Black People – Bobby Seale)’, van Barkley L. Hendricks (1969). De eerder dit jaar overleden kunstenaar zegt in 2016 tegen The Brooklyn Rail: “In tegenstelling tot wat veel mensen denken, is mijn vroege werk niet uitgesproken politiek van aard. Het is slechts politiek omdat het Amerika van de jaren ’60 ‘fucked up’ was, en niet zag wat sommige zwarte kunstenaars aan het doen waren. Het is politiek vanuit hún standpunt. Mijn schilderijen gaan over mensen die deel uitmaakten van mijn persoonlijke leven. Als ze politiek van aard zijn, dan komt dat omdat ze een reflectie zijn van de cultuur waarbinnen we leven”.


De titel van het schilderij, een zelfportret van Hendricks met slechts een Supermanshirt aan, verwijst naar een medeoprichter van de Black Panthers. Bobby Seale wilde met deze beweging de zwarte bevolking in de Verenigde Staten bevrijden, en schuwde daarbij geen geweld.

In ‘Injustice Case’, van David Hammons (1970) komt Seale opnieuw voorbij. Het ziet er inderdaad behoorlijk onrechtvaardig uit: een persoon zit gekneveld en vastgebonden op een stoel, wachtend op een vonnis. Hammons refereert met dit werk aan de rechtszaak tegen de Black Panther. Hij werd veroordeeld tot vier jaar gevangenisstraf voor het beramen van protesten en mocht geen eigen advocaat kiezen. De toegepaste techniek is een combinatie van een afdruk van een menselijke stempel, een techniek die Hammons vaker toepast, en zeefdruk. Het resultaat is deze ‘röntgenfoto van Amerika’.  

Injustice Case’, David Hammons (1970) 

Voor het tijdperk waarbinnen het werk op deze tentoonstelling werd gecreëerd, omvat het weinig abstracte kunst. Binnen de zwarte gemeenschap werd abstracte kunst lang beschouwd als een onbelangrijke witte esthetische traditie. Zwarte kunstenaars werden hierdoor niet bepaald aangemoedigd om dergelijk werk te maken. Een uitzondering is het ritmische, kleurrijke werk van William. T. Williams: Trane (1969). In dit werk brengt hij een eerbetoon aan jazzmuzikant John Coltrane. Het schilderij stemt vrolijk: ook hiervoor is gelukkig ruimte binnen de tentoonstelling.   

Williams T. Williams, courtesy of Michael Rosenfield Gallery LLC. New York NY

De werken van de AfriCobra (African Commune of Bad Relevant Artists), een collectief dat ik 1968 werd opgericht om de zwarte bevolking vooral trots op hun cultuur te laten zijn, zorgen helemaal voor een mentale opklaring: uit ‘Black Prince’, Malcolm X door Wadsworth Jarrell’s (1971) en het portret ‘Black Children Keep your Spirits Free’ door Carolyn Lawrence’s (1972) spreekt één en al optimisme: “Say it loud, I’m black and proud!”.  

‘Black Children Keep your Spirits Free’, Carolyn Lawrence’s (1972).
Courtesy of Mims Lawrence

Waar Ringgold de Afrikaanse traditie laat spreken in het kleurgebruik, gaan andere kunstenaars nog een stap verder. Zo duikt Betye Saar in haar roots door op zoek te gaan naar de ‘geesten van haar voorouders’. Ze reist hiervoor onder andere naar Haiti. Saar keert terug naar eenvoudige vormen en In haar assemblages combineert ze Afrikaanse attributen met onder andere foto’s en brieven waarmee ze herinneringen, verlies en het verstrijken van tijd uitdrukt. 

‘Eye, Betye Saar, 1972

Het onderwerp van ‘Soul of a Nation. Art in the Age of Black Power’ blijkt enorm veelzijdig. Veel is ongezien gebleven. ‘The Age of Black Power’ mag dan geschiedenis zijn, de verhalen zijn nog steeds relevant, het protest nog steeds – terecht – actueel. De droom van Martin Luther King jr. die door de hal schalt, is grotendeels nog steeds een droom. Dat deze ooit mag uitkomen.

‘Soul of a Nation’.
Tot en met 22 oktober in Tate Modern, Londen, daarna reist de tentoonstelling naar het Crystal Bridges Museum of American Art in Arkansas (3 februari tot en met 23 april 2018) en het Brooklyn Museum (7 september 2018 tot en met 3 februari 2019).

De zeven Zonnebloemen van Van Gogh

Probeer je eens voor te stellen hoe Vincent van Gogh achter zijn ezel stond. Een oud wijd hemd aan, vol verfvlekken, het rossige haar warrig, geconcentreerde blik… In zijn ene hand een smoezelig palet, in zijn andere hand een verfkwast. Ga in gedachten naar het doek op de ezel. Wat is hij aan het schilderen? Een sterrennacht? Een gele kamer? Of zonnebloemen? Grote kans dat je aan het laatste dacht: de meeste bezoekers van het Van Gogh Museum komen langs om de beroemde zonnebloemen van Vincent af te vinken. Foto’s maken tussen de collectie mag officieel niet, als alternatief hiervoor heeft het museum zogenaamde ‘selfie walls’ met reproducties in het leven geroepen. Toch staat Instagram vol met blije gezichten tussen de originele schilderijen, veelal ‘De Zonnebloemen’.

Ook voor onze uitwisselingsscholieren die Amsterdam bezoeken zijn ‘The Sunflowers’ één van de hoogtepunten van hun logeerpartij. Hieronder kun je op een filmpje dat ik in 2015 van hen maakte zien hoe enthousiast ze ervan worden.

Van Gogh was tijdens zijn korte leven, hij werd 37 jaar, ongeveer twaalf jaar actief als kunstschilder. Hoe beroemd zijn zonnebloemen ook zijn: hij heeft ze niet ruim een decennium lang aan de lopende band staan schilderen. In 1888 en 1889 schilderde hij een serie van zeven zonnebloemschilderijen. Deze schilderijen waren bedoeld om zijn studio te decoreren. Aan collega-schilder Emile Bernard schreef hij: “Ik denk aan het versieren van mijn studio met een half dozijn schilderijen van zonnebloemen. Een decoratie waarin ruwe of gebroken geel zal openbarsten tegen diverse blauwe achtergronden, van de lichtste Veronese naar royal blue, omlijst met dunne latten geschilderd in oranje menie. Op die manier wil ik het effect van glas-in-loodramen van een gotische kerk bewerkstelligen.”

Misschien zijn het de warmgele tinten, misschien zijn het de vlugge, lichte penseelstreken, misschien is het de associatie met het zonnige zuiden, maar de Zonnebloemen maken vrolijk. Het Van Gogh Museum speelt regelmatig in op hun enorme aantrekkingskracht. In september 2015 liet het museum 125.000 zonnebloemen in een labyrint op het Museumplein zetten, ter ere van de opening van het nieuwe entreegebouw. De bloemenzee trok veel publiek, niet in de laatste plaats omdat de bloemen uiteindelijk gratis werden weggegeven.     

Zonnebloemen op Het Museumplein, september 2015

Van de zeven zonnebloem-schilderijen werd er aan het einde van de tweede wereldoorlog één door brand verwoest. Één van de schilderijen maakt deel uit van de privé collectie van een rijke Amerikaan. Vijf van de schilderijen hangen, verspreid over de wereld, in diverse musea. Het Van Gogh Museum brengt deze vijf werken nu bij elkaar, door middel van een 360 graden tentoonstelling op Facebook.

Maandag 14 augustus, om 19.10 gaat het museum ‘live’ op Facebook. De conservatoren/directeuren van de verschillende musea vertellen dan over hún versie van de zonnebloemen. Mocht je de uitzending missen: later kun je deze ook terugkijken. 

Beter kijken in het museum

De gemiddelde verblijftijd in een museum is volgens De Museummonitor ruim twee uur, om precies te zijn 124 minuten.

Stel dat je als bezoeker van Het Centraal Museum inderdaad twee uur aanwezig bent, houdt dat in dat je voor ieder kunstwerk een paar seconden kijktijd hebt. Dat is waarschijnlijk niet wat de kunstenaar voor ogen had toen maandenlang bloed zweet en tranen werden vergoten.  

Uiteraard kost het meer tijd om een werk goed te bekijken, vandaar dat je keuzes moet maken (of heel vaak terug moet komen). Mijn ervaring is, dat een museumbezoek het meest interessant is, als ik een stuk of vijf werken per bezoek veel aandacht geef. Mocht je nou niet weten waar te beginnen? Laat je dan vooral bij de hand nemen. Wees niet bang: het is niet op een tuttige ‘ik-laat-je-wel-zien-hoe-het-moet-manier’. Het Centraal Museum daagt je uit tot de ‘Visual Thinking Strategy’: een methode die je beter naar kunst laat kijken. Door middel van deze methode observeer je de kunstwerken doordacht: alleen of samen, of naar aanleiding van de observaties van je voorgangers. Lees hier meer over de Visual Thinking Strategy. Je kunt gebruik maken van een boekje met vragen dat speciaal voor deze methode aanwezig is. Hierin kun je onder beschrijven wat er volgens jou binnen het kunstwerk gebeurt en waar je dat aan ziet. Ook kun je een boodschap achterlaten voor een volgend persoon.   

Over ‘De aanbidding van de herders’, van Joachim Wtewael (1598) schreef een bezoekster: “Maria heeft geen voeten. Ze roert in een potje.” en: “Lees de opmerkingen van anderen. Het opent je ogen. De titel zegt lang niet alles.”. Goede tip! En zeker een reden om het Centraal Museum (weer) eens te bezoeken.   

‘De aanbidding van de herders’, Joachim Wtewael, 1598

Deze strategische manier van kijken lijkt trouwens erg op de manier waarop mijn kunstgeschiedenislessen verlopen. Uiteraard spui ik een aantal kunsthistorische feiten, maar eerst laat ik mijn leerlingen kijken, voelen en benoemen. En soms wordt dan iets opgemerkt dat mij zelfs nooit eerder was opgevallen! Wist je dat de borsten en buik van de dame op Monet’s ‘Dejeuner sur l’herbe’ op het hoofd van een kikker lijken?  

Een andere manier waarop je kunst goed op je in kunt laten werken is door te vergelijken. In het Mauritshuis hangen momenteel twee schilderijen, van verschillende kunstenaars maar met hetzelfde thema, in dezelfde ruimte. Het schilderij ‘Soo voer gesongen, soo na gepepen’, rond 1665 geschilderd door Jan Steen is bezit van het museum. Van Het Koninklijk Museum voor Schone Kunsten in Antwerpen mocht Het Mauritshuis de variant van Jacob Jordaens uit 1638 lenen: ‘Zoals de ouden zongen, zo piepen de jongen’, houdt het werk van Steen tijdelijk gezelschap. En dat is leuk: als ze zo naast elkaar hangen, is direct te zien dat de het schilderij van Jan Steen veel schetsmatiger is opgezet dat het werk van Jordaens. De figuren zijn ook minder geordend. De ruwe toets en de op het oog willekeurige plaatsing van de personen draagt bij aan de typisch gezellige rommeligheid die de meesten wel van hem zullen kennen: het ‘huishouden van Jan Steen’.   

Er zijn meer verschillen én overeenkomsten. Jordaens heeft de titel van het schilderij in het interieur verwerkt. Steen laat de aanschouwer iets beter kijken: Op het papier dat de oude dame aan rechts in haar handen houdt staat de titel geschreven. Op beide schilderijen is een doedelzakspeler te zien. De doedelzak stond doorgaans voor losbandigheid en luiheid en is een minderwaardig instrument: wie dit bespeelde was van lagere sociale klasse. Als je zelf even geen bijzonderheden meer ziet, kun je weer op weg worden geholpen. De interactieve schermpjes onder het schilderij van Jordaens geven hints en lichten een aantal elementen die het vergelijken waard zijn uit.   

‘Soo voer gesongen, soo na gepepen’, Jan Steen, 1665
Detail: Soo voer gesongen, soo na gepepen’

Verder worden er in de meeste musea rondleidingen gegeven. En die zijn lang niet altijd onbetaalbaar. Als je op tijd bent, kun je vaak zelfs gratis worden rondgeleid. Bijvoorbeeld op donderdagmiddag in Het Van Goghmuseum en op zondagmiddag in het Stedelijk Museum. Vooral bij tijdelijke tentoonstellingen vind ik dat fijn: je hebt dan immers vaak maar beperkt de tijd om het werk keer op keer zelfstandig te bezoeken. Fijn als de expert je op bijzonderheden wijst!

Achter de schermen bij Julius Caesar

Twee overbelaste handen en een fikse tweedegraads brandwond in haar linker handpalm hield ze eraan over: maar aan de kostuums zal het vanavond tijdens de premiere van Julius Caesar in het Amsterdamse Bostheater niet liggen. Die zijn piekfijn in orde. Joëlle Snijders zit achter de naaimachine en doet het werk van de afgelopen maanden nog eens dunnetjes over: ze naait kleine capes, miniatuurversies van de kleding die door de acteurs gedragen worden. Het worden haar ‘toi’s’: kleine aanmoedigingspresentjes die de medewerkers aan een productie elkaar vlak voor de premiere cadeau doen.

Joëlle is kort geleden afgestudeerd als scenografe aan de Academie voor Theater en Dans en werkt tijdens dit project als assistente van kostuumontwerpster Jorine van Beek.   

Joëlle achter de naaimachine.
Foto: Nichon Glerum

Verwacht geen traditioneel Romeinse kostuums in dit stuk. Joëlle: ‘Jorine heeft duidelijk de keuze gemaakt om met haar kostuums een link naar het hedendaagse te leggen. Ze zijn losjes gebaseerd op een modern maatpak: hierop zijn steeds aanpassingen gemaakt.’ 

De ‘toi’s’.

‘Aan de voorstelling nemen elf acteurs deel, waarvan twee, die  twee rollen spelen en een die drie rollen speelt. Dat is best een grote cast. Naast de basiskostuums moest voor alle acteurs, behalve Matthias (van de Vijver alias Julius Caesar) nog een mantel worden genaaid. We hebben flink doorgewerkt. Kort voor de try-outs besloot Michiel (de Regt, regisseur)  dat de helmen, die oorspronkelijk deel uit zouden maken van de kostuums, toch niet in het stuk zouden passen. Dat is wel even slikken: daar zat toch wel een manuurtje of veertig werk in.

Foto: Orkater

‘Na een voorstelling kunnen kostuums doorweekt zijn van de regen, en dan moet het er de volgende dag toch weer netjes uitzien. Alles moet dan worden uitgehangen zodat het weer op tijd, zonder al te veel kreukels, beschikbaar is voor de acteurs. Verderop in de voorstellingsperiode wordt dat door anderen gedaan, maar omdat Jorine en ik er nu toch nog zijn, zorgen wij daarvoor.’ 

Joëlle verstelt nog even een kostuum… Foto: Nichon Glerum

Het lijkt nu vooral alsof het alleen maar een heel zwaar proces is: ‘Natuurlijk is er hard gewerkt, maar het was vooral heel erg leuk en leerzaam. Je vormt in korte tijd een hecht team. Tijdens de repetities en de try out periode is het binnen alle disciplines vallen en opstaan, elkaar ondersteunen en open staan voor elkaars adviezen. Je ziet de productie met de dag groeien. Voor mij is de premiere vanavond de finale: als kostuummaker ben je daarna niet meer nodig en moet je het stuk loslaten. Op naar het volgende project.’ Julius Caesar, door Orkater. Tot en met in 9 september in Het Amsterdamse Bostheater, daarna op tournee.

Foto: Orkater
Website Joëlle: joellesnijders.nl

Van Gogh, Rousseau, Corot: in het bos

Onlangs bezocht ik de tentoonstelling ‘Van Gogh, Rousseau, Corot: in het bos’ in het Van Goghmuseum. Best een uitdaging in deze tijd van het jaar. Een toerist verlaat Amsterdam immers niet voordat hij of zij ‘De Zonnebloemen’ heeft gezien. En die bevinden zich in hetzelfde gebouw. Wel in een andere vleugel. Dat scheelt: eenmaal voorbij de garderobe is er voldoende zuurstof en zicht op de schilderijen. Wat ook uitmaakte is dat ik het museum ’s avonds bezocht: de vrijdagavondopenstelling staat weliswaar tegenwoordig schijnbaar ook in de ‘Lonely Planet’ vermeld, toch is dan een stuk rustiger dan overdag. 

Toeristen in het Van Gogh Museum
Toeristen in het Van Gogh Museum

Landschapskunst is niet het meest populaire genre. Veel mensen vinden de schilderijen erg op elkaar lijken en niet interessanter dan een gemiddelde vakantie-ansichtkaart. Vincent van Gogh dacht hier heel anders over. Niets inspireerde hem meer dan de landschap-schilderijen uit de 18e en 19e eeuw. Ik besloot dan ook, dat ik me door hem zou laten rondleiden. Niet via de audiotour, dat leidt maar af tijdens zo’n eerste bezoek, maar door mij in te leven in de manier waarop hij ooit tegen deze schilderijen aankeek: met een open blik, vol bewondering en aandacht voor detail. 

Het eerste schilderij dat mijn aandacht trok was ‘Herfst’, geschilderd in 1865, door Jules Dupré. Als je goed naar dit werk van Dupré kijkt, zie je naast de enorme boom een klein figuurtje opdoemen. De schilder wilde met dit schilderij de nietigheid van de mens ten opzichte van de grootse overweldigende natuur laten zien. Van Gogh zag dit schilderij op een tentoonstelling in Den Haag, in 1882. Aan zijn broer Theo schreef hij: ‘het drukt uit dat oogenblik en die plaats in de natuur waar men alleen kan heengaan, zonder gezelschap.’

'Herfst', Jules Dupré, 1865
‘Herfst’, Jules Dupré, 1865.
Foto: Van Gogh Museum

Met de uitvinding van de verftube, werd het in de loop van de 19e eeuw voor kunstenaars makkelijker om erop uit te trekken. In de buurt van het dorp Barbizon kwam een groep kunstenaars bijeen. Het landschap inspireerde deze ‘plein air’ kunstenaars en ze inspireerden elkaar. Zo ontstond de ‘School van Barbizon’.

Ook in ‘De Kromme boom bij het Carrefour de l’Epine’, Rousseau (1852) is een ‘nietig’ persoon te ontdekken. Donkere wolken pakken zich samen boven het bos. Ieder moment kan een enorme regenbui losbarsten. Onder de kromme boom, die zijn takken als beschermende armen lijkt uit te strekken, vindt de persoon beschutting.

'De kromme boom bij het Carrefour de l'Epine, 1852
‘De kromme boom bij het Carrefour de l’Epine, 1852.
Foto: De Mesdag Collectie, Den Haag

Een heel andere sfeer wordt opgeroepen in het heldere ‘Kustlandschap’, geschilderd door Claude Monet, in 1864. Het kuststadje Honfleur, zo’n 75 kilometer ten westen van Parijs was volgens Monet het paradijs op aarde. Als impressionist genoot hij van de lichtval op de weiden, de bomen, de monding van de Seine, en legde vervolgens zijn indruk van een bepaald moment van de dag vast. Aan de lengte van de schaduwen, de kleur van de lucht en het water en de helderheid van het bladgroen kan ongeveer worden vastgesteld op welk moment van de dag Monet dit landschap op het doek zette. Wanneer denk je?

'Kustlandschap', Claude Monet, 1864
‘Kustlandschap’, Claude Monet, 1864
Foto: Van Gogh Museum

Misschien moet je bij landschapskunst iets langer kijken om het verhaal los te krijgen, maar het wil zeker verteld worden. Van Gogh was als natuurliefhebber gek op deze verhalen. 

Hoe hij deze verhalen vertaalde naar zijn eigen werk, is hier ook te zien: op lichtere wanden achterin de tentoonstellingsruimte. Het werk van van Gogh doet levendiger aan dan het werk waardoor hij zich liet inspireren. Het kleurgebruik is feller en minder naturalistisch, de manier van schilderen ongeremd. Ook van Gogh vertelt duidelijk een verhaal. Hier lijkt het niet te gaan om het verhaal van de natuur, maar om zijn eigen verhaal, via de natuur. Wanneer hij zijn intrek heeft gedaan bij zijn broer Theo in Parijs, in 1886, maakt hij kennis met het Impressionisme. De invloeden hiervan zijn duidelijk zichtbaar in het bijna pointillistische ‘Bomen’, geschilderd in 1887.

'Bomen', Vincent Van Gogh, 1887
‘Bomen’, Vincent Van Gogh, 1887
Foto: Vincent van Gogh Stichting

Wanneer Van Gogh een hevige innerlijke strijd voert, schildert hij ‘Boomwortels’ (1890): een wirwar van donker omlijnde blauwe stronken. Ze proberen zich een weg te banen, maar raken vooral in elkaar verstrengeld. Het is naar alle waarschijnlijkheid zijn laatste schilderij.

‘Van Gogh, Rousseau, Corot: in het bos’.
Van Goghmuseum.
Tot en met 10 september 2017

'Boomwortels', Vincent Van Gogh, 1890
‘Boomwortels’, Vincent Van Gogh, 1890 Foto: Vincent Van Gogh Stichting