Tentoonstelling ‘Slavernij’ in Het Rijksmuseum

Als kind met Surinaamse ‘roots’ leerde ik al op jonge leeftijd een spelletje dat vergezeld gaat van een vrolijk klinkend liedje: “Faya siton no bron mi so…”. Een groep kinderen zit in een kring op de grond met de ogen dicht. Er wordt gezongen, terwijl de kinderen de steen doorgeven. Wie de steen in handen heeft als het liedje stopt is af. Het lijkt een beetje op ‘zakdoekje leggen’. Meer zag ik er aanvankelijk dan ook niet in. Ik had er geen enkel benul van dat het onschuldige spelletje een gruwelijke geschiedenisles omvatte. Letterlijk wordt er gezongen: “Hete steen brandt mij niet zo, brandt mij niet zo, alweer heeft meester Jantje een kind vermoord”. In 2019 vertelt historica Cynthia McLeod in ‘De Wereld Draait Door’: “Gelukkig is het liedje over het brandmerken door de orale traditie blijven bestaan, het is een getuige van de gruwelen die plaatsvonden ten tijde van de slavernij.”. Veel andere sporen uit de tijd van de slavernij zijn gewist na afschaffing. Voormalig tot slaaf gemaakten werd opgedragen niet meer over deze tijd te praten.

In de audiotour behorende bij de tentoonstelling ‘Slavernij’, die binnenkort in het Rijksmuseum is te bezoeken, komt dit lied ook voorbij. Het is één van de fragmenten uit de audiotour, die de tentoonstelling vergezelt. Door toevoeging van muziek en andere geluidseffecten ontstaat een soundscape waarbinnen de verhalen behorende bij de objecten uit de tentoonstelling, verteld door de ogen van tien hoofdpersonen, springlevend worden. 

Al bij de ingang van de tentoonstelling wordt het verleden zichtbaar én voelbaar. Onder de klokken die ooit aangaven wanneer de lange zware werkdag op de plantage aanving, vertelt de stem van hoofdverteller Glenn Helberg ons hoe het systeem van slavernij mensen tot object zonder enige rechten maakte. 

De geschiedenis van de koloniale slavernij wordt in Het Rijksmuseum verteld door de ogen van tien historische personen, die hierbij allemaal op hun eigen manier betrokken waren.

Eén van die personen is Wally, die te werk was gesteld op een suikerplantage in Paramaribo. Dag in dag uit verrichtte hij zware lichamelijke arbeid in de tropische hitte. Als er niet snel genoeg werd gewerkt volgde zware lijfstraffen, zoals zweepslagen.

In de zaal waarin het verhaal van Wally wordt verteld staat een oude kappa, afkomstig van een suikerplantage. Hierin werd het sap uit suikerrietstengels ingekookt tot suikermelasse. Dikwijls liepen tot slaaf gemaakten brandwonden op bij het werk aan de ketel, vooral als de vermoeidheid na veel te lange werkdagen toesloeg. We zien ook voorwerpen die bij de winti-religie horen, zoals het muziekinstrument gemaakt van een kalebas, bedekt met witte klei (pemba dotti). Van een aantal plantage-eigenaren mochten de tot slaaf gemaakten een feestje vieren, waarbij ze – vaak stiekem – de rituelen van hun religie uitvoerden. 

Nadat Wally in 1707 wegvluchtte van de plantage, werd hij in Fort Seelandia veroordeeld tot een gruwelijke doodstraf. 

De stem die het verhaal van Wally tot leven brengt is die van Kickbokser Remy Bonjasky. Zijn voorouders waren ooit werkzaam op dezelfde plantage als Wally.

Al wat oudere bekenden in Het Rijksmuseum zijn Marten en Oopjen. Deze rijkelui die zich in de 17e eeuw ten voeten uit lieten portretteren door Rembrandt van Rijn kennen we vooral als onderwerp van wereldberoemde Nederlandse schilderkunst. Tot voor kort was ik, gefascineerd door Rembrandts virtuoze penseelstreken, niet geneigd om hun beeltenis aan een zwarte bladzijde uit de Nederlandse geschiedenis te koppelen. Door ze in deze tentoonstelling te plaatsen, wordt ineens een heel ander licht op deze schilderijen geworpen. 

Directeur Taco Dibbits, die destijds nauw betrokken was bij de aankoop van de schilderijen, vertelt welke plaats Marten en Oopjen innamen binnen de slavernij. De familie van Marten verdiende kapitalen over de rug van de tot de slaaf gemaakten op de suikerplantages. Zonder het onbetaalde werk dat op de plantages werd verricht zouden deze kostbare portretten waarschijnlijk nooit tot stand zijn gekomen! De tweede man van Oopjen, Maarten, verwekte met geweld een kind bij een tot slaaf gemaakte vrouw Francesca tijdens een zakenreis naar Brazilië. Uiteraard bleef hij ongestraft en naar alle waarschijnlijkheid wist Oopjen van niets.

Een ander object dat al langer in bezit is van het Rijksmuseum is een halsband. Aanvankelijk dacht men dat deze ooit gebruikt was voor een hond, maar wie op het schilderij van het poppenhuis (Jacob Appel, ca. 1710) goed kijkt naar de hals van de zwarte bediende ziet dat hij een dergelijke band om zijn nek draagt. Het zou Paulus kunnen zijn, de jonge tot slaaf gemaakte die eigendom was van Maurits graaf van Nassau La Lecq. Op latere leeftijd werkte Paulus niet meer als bediende, maar was hij in dienst van het leger als paukenist. De paukenist op het schilderij dat ook in deze zaal hangt, draagt ook een halsband.

Blijkbaar was de band – eenmaal vastgezet om de hals – niet eenvoudig meer te verwijderen. 

Overigens was het verboden om in het Nederland aan deze kant van de Atlantische Oceaan slaven in huis te hebben, maar veel welgestelden trokken zich daar weinig van aan, en gunden zichzelf zo’n pronkstuk.

Paulus is misschien geen naam die je snel zou verwachten bij iemand wiens familie recentelijk nog in Ghana of Angola woonde. Tot slaaf gemaakten mochten echter niet zelf bepalen welke naam zij of hun kinderen droegen. Vanaf het moment dat een tot slaaf gemaakte na een vreselijke overtocht voet had gezet op gekoloniseerde grond, was het dragen van een Afrikaanse naam taboe. Voortaan droeg de tot slaaf gemaakte een naam die door de meester was bedacht. Ook werd hij of zij gebrandmerkt met een brandijzer. Met de initialen van de eigenaar, en al eerder – bij verhandeling in trans-Atlantisch gebied – met het merk van de WIC. In de tentoonstelling is brandijzer te zien, dat in het verleden echt is gebruikt. Ik kan er maar moeilijk naar kijken.

Het levensverhaal van de Indonesische volksheld Surapati is al vaak beschreven. Al op jonge leeftijd werd hij door een Nederlander gekocht en meegenomen naar Batavia om als bediende te werken. Hij vluchtte met een aantal anderen en sloot zich vervolgens aan bij het VOC-leger. Op een zeker moment keerde Surapati zich in eerste instantie met succes tegen datzelfde leger. Uiteindelijk nam het leger revanche, wat hem fataal werd. 

Op een schilderij van Jacon Coeman uit 1665 is Surapati te zien als bediende van VOC-opperkoopman Pieter Cnoll met zijn familie. Op de achtergrond, uit het licht. Blijkbaar wilde Cnoll graag zijn menselijke bezittingen tonen, maar moest vooral duidelijk zijn dat die minder belangrijk waren dan hij en zijn gezinsleden.                                                                            

Naast de verhalen van Wally, Oopjen, Paulus en Surapati worden in de tentoonstelling de verhalen verteld van Joao, die in 1646 vluchtte van Portugees-Braziliaans naar Nederlands Braziliaans grondgebied, hopend op een beter leven. Ook beleven we het verhaal van de vele ‘van Bengalens’, die vanuit de bocht van Bengalen over de hele wereld werden verscheept, van ma Sapali die rijsthalmen in haar haren vlocht om een geheime voorraad op te bouwen: voor een grote groep tot slaaf gemaakten levensreddend, en er zijn de verhalen van Tula, Dirk Hogendorp en Lokhay die ieder op eigen wijze streden voor voor afschaffing van de slavernij. Laatstgenoemde ontsnapte meerdere keren van een plantage, waarna één van haar borsten als straf werd afgesneden. De ruimte waarin haar verhaal wordt verteld hangt vol blauwe kralen, waarmee tot slaaf gemaakten uitbetaald werden. Na afschaffing van de slavernij op St. Eustachius werden ze massaal in zee gegooid om symbolisch af te rekenen met het verleden.

Voor zover ik weet werd in Nederland niet eerder op een plaats als Het Rijksmuseum een dergelijke tentoonstelling georganiseerd. Door voorwerpen uit het verleden een stem te geven, onderstreept het museum het historisch belang ervan. Door kunstwerken die voorheen vooral stonden voor ‘die schitterende Gouden Eeuw’ in een ander daglicht te zetten, erkent ‘Het Rijks’ dat die periode een gruwelijke keerzijde kende. Nederland heeft veel inwoners waarvan voorouders die gruwel aan den lijve hebben ondervonden. Hoe pijnlijk ook: het is goed dat de verhalen over deze tijd niet langer in de doofpot worden gestopt. 

‘Slavernij’ is vanaf 5 juni te bezoeken, wanneer de musea eindelijk weer openen. Voor scholen is er nu al mogelijkheid tot een bezoek (na reservering), wat mij in de gelegenheid stelde om Het Rijksmuseum met een aantal leerlingen te betreden. Zij waren – net als ik – diep onder de indruk, maar ook opgelucht en blij om na lange tijd weer cultuur te mogen snuiven. Ook de medewerkers van het museum leken nóg iets enthousiaster dan anders om ons te kunnen ontvangen. In een museum hoort publiek. Zeker wanneer er zo’n bijzondere tentoonstelling is te zien!

Bekijk ook de documentaire ‘Nieuw licht: Het Rijksmuseum en de slavernij” via www.2doc.nl en de uitgebreide informatie op de website van ‘Het Rijks’: www.rijksmuseum.nl.

De tentoonstelling ‘Slavernij’ is te bezoeken van 5 juni 2021 tot en met 28 augustus 2021

Twee heethoofden met gouden handjes: Caravaggio – Bernini in Het Rijksmuseum

De kunstenaars van de Italiaanse Barok pakten flink uit. Waar hun voorgangers uit de Renaissance nadruk legden op perfecte verhoudingen van het menselijk lichaam en symmetrie, kozen zij voor wilde diagonale composities en dramatische licht-donkercontrasten, mooi gezegd het ‘chiaroscuro’. Kunst draaide om gevoel, drama en actie.  Zowel beeldhouwwerken als schilderijen lijken midden in de beweging te zijn stilgezet, alsof het tafereel zich na een simpele Tita Tovenaar-handklap weer voort kan zetten. 

De uitbundige vormgeving beperkt zich niet tot beeldhouwwerk en schilderijen, vaak ten dienste van de kerk gemaakt: ook de architectuur is uitbundig: tympaantjes en guirlandes sieren de – ook al golvende – gevels, en bij de overdadige interieurs verbleekt de gemiddelde Efteling-attractie. Geen wonder dat het publiek dat aanvankelijk van de Roomse kerk was overgelopen naar de Protestanten, in de loop van de zeventiende eeuw likkebaardend terugkeerde: een marketingstunt van jewelste!

Over twee van de allergrootsten uit deze periode is vanaf 14 februari een tentoonstelling te zien in Het Rijksmuseum. 

‘Caravaggio – Bernini’ opent met twee hoogtepunten. ‘Medusa’ en ‘Narcissus’. Beide bekende figuren uit de klassieke mythologie. 

Medusa had als kapsel een nest met kronkelende slangen. Eerder veroordeelde de godin Athena haar tot deze monsterlijke verschijning, omdat Medusa seks gehad zou hebben in haar heilige tempel. Medusa stond er vanaf dat moment om bekend eenieder die haar recht aankeek te doen verstenen. Uiteindelijk maakte de held Perseus haar een kopje kleiner nadat hij haar voorzichtig via haar weerspiegeling in zijn schild benaderde. Bernini heeft het moment vastgelegd waarop Medusa de straf van Athena ondergaat: de afschuw en verontwaardiging zijn duidelijk van haar gezicht af te lezen. 

De jonge Narcissus werd verliefd op zijn eigen spiegelbeeld, toen hij zich op een dag voorover boog bij een heldere vijver. Na wanhopige pogingen zichzelf aan te raken, kwijnde hij uiteindelijk weg. Caravaggio heeft de ongelukkige jongeman theatraal aangelicht op het doek gezet, en vangt daarmee het moment waarop Narcissus met zijn linkerhand het spiegelgladde wateroppervlak doorbreekt. 

De diagonale composities die zo ruimschoots binnen het werk van Caravaggio en Bernini zijn vertegenwoordigd, inspireerden de ontwerpers van deze tentoonstelling. De plattegrond is speels en zorgt voor fraaie doorkijkjes, al is het twijfelachtig of deze bij te verwachten aantal bezoekers volledig tot hun recht zullen komen. 

De twee meesters waren sowieso een bron van inspiratie, waarvoor ook aandacht is binnen deze tentoonstelling. Nabootsers van het werk van Caravaggio werden Caravaggisten genoemd, waaronder onze eigen Gerard van Honthorst en Hendrick ter Brugghen. In ‘Jonge vrouw die een luit stemt’ laat ter Brugghen zien hoe hij het kunstje met licht en donker van Caravaggio heeft afgekeken. Voordat hij dit schilderij maakte was hij op studiereis naar Rome geweest. 

Niet alleen de vormgevingsaspecten in het werk van Caravaggio werden nagebootst, ook de thema’s die hij behandelde werden gretig overgenomen. 

Zo is daar de ‘David met het hoofd van Goliath’, in 1599 geschilderd door Caravaggio, en in 1616 door de Fransman Valentin de Boulogne. Het exemplaar van Caravaggio is helaas niet te zien op deze tentoonstelling, maar er wordt van gezegd dat de schilder zich vereenzelvigde met de kop van de reus, die één en al ellende uitstraalt, misschien nog wel meer dan in het werk van de Boulogne. Op het moment van schilderen verkeerde Caravaggio in ballingschap, nadat hij in een straatgevecht een man had gedood. In Rome was hij niet langer welkom en hing hem zelfs de doodstraf boven het hoofd. Het moest er eens van komen. Met zijn opvliegende karakter had de schilder zichzelf al veel vaker in de nesten gewerkt en zijn reputatie was allesbehalve vriendelijk te noemen. 

Ook Bernini was niet het geduld zelve. Toen hij vermoedde dat zijn jongere broer Luigi was vreemdgegaan met zijn geliefde Costanza (die overigens al met een ander was getrouwd) bedreigde hij hem met de dood. Het mooie gezicht van Costanza liet hij door één van zijn assistenten bewerken met een scheermes. Heetgebakerd als hij kon zijn: hij haalde ergens het engelengeduld vandaan om uitermate verfijnd werk te maken. Aardig weetje is dat hij één van zijn beeldhouwwerken, te zien in de Santa Prassede in Rome, naar zeggen al vervaardigde toen hij pas tien jaar oud was. Het oogt bepaald niet als een knutselwerkje uit groep 7. We hebben hier echt met een virtuoos te maken!

Dat blijkt ook uit de andere sculpturen die zien zijn in Het Rijksmuseum, zoals het ontwerp voor de ‘Tritonfontein’ op het Piazza Navona in Roma, en een levensechte sculptuur van een gewonde Sint Sebastiaan, die hij overigens ook op jonge leeftijd maakte: hij was 19 jaar. 

Niet zozeer navolgelingen, maar wel stijlgenoten van Bernini waren onder Francesco Mochi en Alessandro Algardi, van wie een schitterend opgesteld zwart-marmeren beeld genaamd ‘Sonno’ (Slaap) te zien is. 

Veel van het werk in de tentoonstelling is Rome-gerelateerd. In de natuurlijke habitat van deze warmbloedige stad komen de verwondering (meraviglia), levendigheid (vivezza), beweging (moto), scherts (scherzo) enafschuw (terribilità) van deze kunstenaars uiteraard nóg beter tot hun recht. Bovendien is veel van het meest indrukwekkende werk niet verplaatsbaar omdat het deel uitmaakt van fonteinen en kapellen. Uiteraard met alle respect voor Het Rijksmuseum, dat met deze heerlijke tentoonstelling absoluut een bijdrage levert aan het verdrijven van de winterblues. 

‘Caravaggio – Bernini’ is te zien tot en met 7 juni in de Philipsvleugel van Het Rijksmuseum. Er is een audiotour vol mooie verhalen en verrassende eye-openers beschikbaar voor 5 euro. Deze is ook gratis te downloaden in de Rijksmuseum-app.

Zomertentoonstelling: Van Gogh en de Zonnebloemen

Wie kent ze niet: De Zonnebloemen van Vincent van Gogh? Het lijkt wellicht wat overbodig om een speciale tentoonstelling te wijden aan een thema dat al talloze keren in het middelpunt van de belangstelling heeft gestaan. Vrijwel iedereen heeft ze wel één of meerdere keren mogen bewonderen, al dan niet verplicht tijdens de museumlessen in groep acht. En ze zijn gewoon te zien binnen de vaste collectie!

Uiteraard besloten de mensen van het Van Gogh Museum niet zomaar tot het samenstellen van de zomertentoonstelling Van Gogh en de Zonnebloemen. De ondertitel luidt dan ook Een meesterwerk onderzocht

Vincent van Gogh heeft van kinds af aan een enorme liefde voor de natuur. Hij is veel buiten en als hij op 27-jarige leeftijd begint met schilderen zijn landschappen zijn favoriete onderwerp. Hij richt zich dan nog niet specifiek op bloemen, dat komt later.

Nadat Vincent zes jaar vooral in zijn geboorteplaats Nuenen heeft geschilderd besluit hij zijn geluk te beproeven in Parijs, op dat moment the place to be voor kunstenaars. Tijdens de tweede zomer die hij in de Franse hoofdstad doorbrengt ontdekt hij in de moestuinen van Montmartre de tournesols: de zonnebloemen. Ze zijn dan nog niet echt het hoofdonderwerp in zijn werk, maar ze spelen wel een belangrijke rol. 

Die rol voelt van het begin af aan positief. Vincent van Gogh beschrijft ze in zijn brieven dan ook als symbool van dankbaarheid. In Moestuin met zonnebloemlijkt een enorm exemplaar een oude dame in haar tuintje gezelschap te houden. Bijna beschermend buigt de reuzenbloem een beetje over haar heen. De vrouw wendt zich naar de bloem, alsof de twee een conversatie met elkaar aangaan.

n 1887 tekent hij het Schuurtje met zonnebloemen. In de tekening, in potlood pen en inkt zijn op de achtergrond de grauwe buitenwijken van Parijs te zien, bebouwd met fabrieken. De zonnebloemen die op de voorgrond tegen het schuurtje staan, geven bijna letterlijk licht: als zonnetjes die het grijs verdrijven.

‘Schuurtje met Zonnebloemen’, 1887

Er zou nog heel wat grijs te verdrijven zijn in het korte leven van Vincent, en misschien was hij de bloemen daarom wel zo dankbaar.

In 1888 is Vincent van Gogh moe van het drukke stadsleven en verhuist hij naar Arles, op het Franse platteland. Hij heeft inmiddels vrienden gemaakt onder een aantal succesvolle kunstenaars, zoals Henri de Toulouse Lautrec, Emile Bernard en Paul Gauguin. Laatstgenoemde nodigt hij uit om naar zijn atelier te komen, om vervolgens samen een kunstenaarskolonie te stichten.

Op de voorgrond: ‘Het gele Huis’, 1888

Nadat Vincent zijn uitnodiging naar Gauguin heeft verzonden, zet hij alles op alles om een goede indruk om hem te maken. In afwachting van zijn komst schildert hij er flink op los, en als zijn schildervriend arriveert hangt het gele huis waarin hij hem ontvangt vol nieuw werk, waaronder vier schilderijen van zonnebloemen. 

Hij krijgt het respect waar hij zo naar verlangt. Gauguin geeft aan een aantal schilderijen ‘echt mooi’ te vinden, en als tastbaar bewijs hiervan schildert hij een portret van Vincent van Gogh, waarop hij een vaas met zonnebloemen aan het schilderen is: hij erkent zijn vriend hiermee als kunstenaar. In deze verbeelding valt ook enige kritiek te bespeuren. Vincent schildert de bloemen na, hij werkt naar de waarneming. Gauguin was van mening dat schilderen naar de verbeelding, zoals hij zelf deed, een nog hoger goed was!

Op een kwade dag in december 1888 krijgen Vincent van Gogh en Paul Gauguin ruzie. Vincent raakt daarop in een psychose en snijdt een deel van zijn oor af. Gauguin vertrekt, en van Gogh wordt opgenomen in het ziekenhuis.

Als Vincent weer terug is in het gele huis vraagt hij Gauguin in een brief of ze nog wel vrienden zijn, waarop Gauguin hem geruststelt en direct vraagt om één van de mooiste zonnebloem-schilderijen: die met de gele achtergrond. Omdat dat wat hem betreft ‘typisch Vincent’ is, en hij dat graag dichtbij wil hebben. Vincent gaat niet direct in op dit enigszins opportunistische verzoek, maar overlegt eerst met zijn broer: kunsthandelaar Theo. Omdat Vincent moeilijk afstand kan doen van het gewenste schilderij schildert hij een nieuwe versie, die hij niet zomaar aan Gauguin cadeau doet, maar ruilt voor een ander schilderij.

Het nieuwe schilderij dat Paul Gauguin ontvangt, is het schilderij dat nu, bijna 130 jaar later, binnen deze tentoonstelling in het Van Gogh Museum centraal staat!

Een onderzoeksteam onder leiding van Ella Hendriks heeft het schilderij de afgelopen jaren onder de loep genomen om uit te zoeken op welke wijze Vincent van Gogh te werk is gegaan, en om vast te stellen wat er sinds die tijd aan het schilderij is veranderd. Een aantal restauraties uit het verleden heeft zijn sporen nagelaten. Bovendien zijn de lichtgevoelige pigmenten in de loop der jaren van kleur verschoten. Na het doen van een aantal verftests is de verlichting van het museum aangepast naar een minder sterkere lichtintensiteit.

Met speciale röntgenapparatuur is nagegaan wat voor verdere stappen ondernomen moeten worden om het werk zo goed mogelijk te conserveren. Dit is naast de kwaliteit van de pigmenten afhankelijk van de weefdichtheid van het doek waarop is geschilderd. Men weet inmiddels precies welke schilderijen van Vincent van Gogh op linnen van dezelfde rol zijn geschilderd!

Een belangrijke conclusie van het onderzoek duidt, dat de conditie van deze Zonnebloemen ‘stabiel maar kwetsbaar’ is. Er is geen reden tot grote zorgen, maar om verdere achteruitgang te voorkomen, is besloten dat het niet meer uitgeleend mag worden aan andere musea. Het schilderij blijft voortaan veilig thuis in Amsterdam.

In deze tentoonstelling is het niet alleen van de voorkant, maar ook van de achterkant te zien. Dat is om de volgende reden interessant:

Het extra latje van Vincent.

Wanneer Vincent bezig is met zijn schilderij, komt hij erachter dat de bovenkant van de bloemen bijna tot bovenaan het kader komen. Dit stemt hem niet tevreden. Blijkbaar ziet hij het niet zitten om de schildering dusdanig aan te passen dat er meer ruimte boven de bloemen ontstaat. Hierop besluit hij het vlak waarop hij werkt te verlengen. Hij timmert een extra latje bovenop het raamwerk van het doek, vult de ruimte tussen het extra latje en het raamwerk op, en schildert over het latje heen. Nu we dit knutselwerkje (met duidelijk zichtbaar de spijkers die van Gogh er eigenhandig heeft ingeslagen) met eigen ogen kunnen aanschouwen is de horizontale naad bovenaan het schilderij ineens opvallender dan ooit. Maar ineens is het mooi: er zit een goed verhaal achter.

Na het schilderen van de zonnebloemen voor Gauguin maakt Vincent nog een aantal mentaal zeer zware perioden door. Slechts twee jaar later, op 37-jarige leeftijd komt er een tragisch einde aan zijn leven.

De portretten door Isaac Israëls

Terwijl van Gogh tijdens zijn leven nauwelijks iets verkoopt, neemt de interesse voor zijn werk kort na zijn dood snel toe. De weduwe van zijn broer Theo, Jo van Gogh- Bongers doet er veel aan om het werk onder de aandacht te brengen. Eén van de laatste schilderijen die ze verkoopt is het schilderij met de gele achtergrond, waarop Gauguin oorspronkelijk zijn zinnen had gezet. Schilder Isaac Israëls is weg van het werk, maar mag het niet kopen. Wel mag hij het twee keer lenen. Hij gebruikt het dan als achtergrond voor een aantal vrouwenportretten, die ook in de tentoonstelling te zien zijn. Uiteindelijk verkoopt Jo van Gogh-Bongers het schilderij aan The National Gallery in Londen. 

Alweer zonnebloemen? Ja alweer! Ze blijven namelijk interessant!
Van Gogh en de Zonnebloemen
Tot en met 1 September 2019
Van Gogh Museum
Amsterdam

Fashion Statements in Het Amsterdam Museum

Wel of niet Rokjesdag, Dress Down Friday, De Hoedenparade op Prinsjesdag… Het zijn fenomenen die veel zeggen over het belang van kleding in onze hedendaagse maatschappij. Met kleding kun je laten zien wie je bent, uitdrukken hoe je je voelt. Een statement maken!   In de tentoonstelling Fashion Statements in het Amsterdam Museum laten modekunstenaars Ninamounah, Patta, Marga Weimans, Bas Kosters, Art Comes First en Karim Adduchi zien wat zij willen uitdragen met hun ontwerpen. Verdeeld over vijf ruimtes worden hun creaties, gerelateerd aan historische kostuums uit de collectie van het Amsterdam Museum, getoond.   Ik ben niet heel erg goed thuis in de modewereld, de tentoonstelling is voor mij dan ook vooral een ontdekkingstocht, en tijdens de preview hang ik aan de lippen van conservator Judith van Amelsvoort.  

In een tijd waarin onze kasten uitpuilen van fast-fashion is het nauwelijks voor te stellen hoeveel werk men in de 18e en 19e eeuw had aan het maken van een kledingstuk. Stoffen werden – draad voor draad of paardenhaar voor paardenhaar – geweven. Vervolgens werden de stoffen onderdelen grotendeels zonder het gemak van een naaimachine, stevig in elkaar gezet. Pas in 1846 vond Elias Howe de naaimachine uit, maar deze werd toen nog niet volop gebruikt. Veel kleermakers zagen de machine als bedreiging voor de werkgelegenheid. De baleinen, een soort harde draden afkomstig uit de bek van de baleinwalvis, gaven stevigheid aan korsetten en hoepeljurken. Door de baleinen te verhitten met water, konden ze in de gewenste vorm worden geperst. Tegenwoordig worden in de mode nog steeds baleinen gebruikt, maar niet meer ten koste van walvissen. Men maakt ze nu van kunststof.   

Ontwerpster Ninamounah Langestraat geeft met haar collectie antwoord op de korsetten waarin vrouwen zich jarenlang snoerden om aan het heersende schoonheidsideaal – een wespentaille – te voldoen. In de zaal waarin zij exposeert, kunnen 200-jaar oude korsetten worden bewonderd en kan het publiek ook zélf een korset aantrekken, om aan den lijve te ondervinden hoe dat voelt. Ongeveer net zo beklemmend als hedendaags corrigerend ondergoed, kan ik inmiddels zeggen. Het Amsterdam Museum toont drie stukken uit Ninamounah’s ‘Evolve Around Me’, een collectie waarbinnen de menselijke dominantie over andere dieren centraal staat. Een situatie zoals die door de evolutie is ontstaan. Met het ‘catsuit-corset’ als knipoog naar de ouderwetse korsetten lijkt deze ontwerpster ons te willen tonen, dat mensen elkaar ook domineren. Of mensen zichzelf: waarom zou je jezelf anders in zo’n strak pakkie willen hijsen? Nee, dan liever de soepel vallende jurk met open bilpartij: lekker luchtig!   

Wil je toch ervaren hoe strak zo’n korset nou zit? Dat kan: Er is een aantal replica’s beschikbaar waarmee je je kunt uitleven: wel handig om assistentie mee te nemen. Ondergetekende werd overigens geholpen door een echte ondermode-expert! Voor de gelegenheid was Dirk-Jan List aanwezig. List is kostuumverzamelaar en op dit moment bezig met een promotie op het gebied van silhouet bepalende onderkleding.   

De extravagante Bas Kosters staat bekend om zijn kleurrijke ontwerpen en bijzondere motieven. Vaak vol humor, maar wél met een boodschap. Zijn serie ‘Permanent State of Confusion’ is vrijwel helemaal samengesteld uit hergebruikt materiaal. Een statement tegen de huidige consumptiemaatschappij.   

De duurzaamheid van Kosters is vergelijkbaar met die uit de achttiende eeuw. Gedragen Japonnen bleven vaak voor lange tijd in de familie en werden voor de volgende generatie vermaakt om te voldoen aan de nieuwe mode. Bijzondere motieven waren er in die tijd ook al: kijk maar eens naar het prachtige handgeschilderd patroon op de jurk hieronder.  

Van Karim Adduchi is een aantal ontwerpen uit zijn afstudeercollectie ‘She knows why the caged bird sings’ te zien. De kostuums, grotendeels bestaande uit kleurrijke handgemaakte matten ogen misschien kwetsbaar, maar zijn oersterk. Net als de Berberse vrouw, die hij met dit werk eert.   

Adduchi legt in ‘Fashion Statement’ een link met de ‘robe à la Française’, uit de achttiende eeuw. Deze klassieke japon benadrukt het destijds geldende schoonheidsideaal: een smalle taille en brede heupen. En als ik zeg breed, dan bedoel ik dusdanig breed, dat je bij mij thuis een kwartslag zou moeten draaien om door de deur te passen! Ook de ontwerpen van Adduchi zijn omvangrijk: de vrouw die binnen zijn werk centraal staat mag zeker gezien worden!  

Sommige schoenen zijn te duur en te exclusief om zomaar af te dragen… Edson Sabajo en Guillaume Schmidt van ‘Patta’ weten er alles van. Hun sneakers zijn vaak zo bijzonder, dat ze alleen als verzamelexemplaar worden aangeschaft. Er wordt misschien nog wel voorzichtiger mee omgesprongen dan met de zijden balschoentjes uit de negentiende eeuw, die alleen binnen werden gedragen.   

Tegenwoordig is zwart waarschijnlijk de meest gedragen kleur. Dit is niet altijd zo geweest. In de negentiende eeuw was zwart alleen voor de elite, voor geestelijken, bediendes, medici of voor mensen die in de rouw waren. Altijd al in verschillende tinten: afhankelijk van ondergrond en soort verfstof.   

Voor de ontwerpers van ‘Art comes First’ staat zwart voor de liefde. Liefde voor zwarte cultuur, zwarte muziek, zwarte mensen… Ze reizen graag en veel, en laten zich in hun ambachtelijke ontwerpen inspireren door een diversiteit aan culturen die zij tegenkomen. De monochrome* ontwerpen van ‘Art comes First’ bewijzen dat zwarte kleding niet saai hoeft te zijn.  *eenkleurige   Op mij maakt het monumentale werk van Marga Weimans de meeste indruk. Terwijl de dames uit de gegoede burgerij heupwiegend in hun mooie jurken rondparadeerden, werd de katoen voor hun kledingstukken verbouwd door slaven. Met bloed, zweet en tranen. Dat is dan ook de titel van haar collectie die ons de donkere kant van de mode uit de achttiende en negentiende eeuw laat zien.  

De jurken van Weimans zijn vaak ware sculpturen, waarvan je je nauwelijks kunt voorstellen dat een model ze op de catwalk heeft kunnen dragen. Ze maakt gebruik van stoffen, maar ook van tin, metalen en pur-schuim. Tijdens de ontwerpfase worden niet alleen schetsen gemaakt, maar soms ook maquettes! Niet alleen de mooie kant van fashion wordt door Weimans getoond, maar ook de keiharde tragische keerzijde van alle pracht en praal wordt getoond.   

Ontsnap aan de eenheidsworst van alle mega-modeketens in de Kalverstraat, en duik het steegje richting Het Amsterdam Museum in voor deze bijzondere tentoonstelling!   Fashion Statements Mode en identiteit, toen en nu. Tot en met 8 September 2019 Amsterdam Museum

PS: Eerder bezocht ik in Het Amsterdam Museum de tentoonstelling '1001 vrouwen uit de 20e eeuw'

Het nieuwe Rembrandtjaar: 2019

Weinigen schoppen het zo ver dat alleen het noemen van hun voornaam voldoende is om te weten over wie we het hebben. Kunstschilder Rembrandt van Rijn (1606 – 1669) kreeg het voor elkaar. Over de hele wereld staat de naam ‘Rembrandt’ voor dé legende uit de Nederlandse kunstgeschiedenis.

In 2019 is het 350 jaar geleden dat Rembrandt van Rijn overleed. Reden om zijn werk en zijn invloed op de internationale schilderkunst te eren. Het hele jaar zullen in onder andere Den Haag, Leiden, Leeuwarden en Amsterdam activiteiten worden georganiseerd om het leven van Rembrandt te vieren.

In 2006 was de aanleiding van een eerder Rembrandtjaar het feit dat Rembrandt 400 jaar daarvoor werd geboren. Dat mocht gevierd worden! In het Rembrandtjaar 2019 zal de nadruk liggen op de manier waarop hij de schilderkunst veranderde en anderen inspireerde, waardoor zijn gedachtengoed tot op de dag van vandaag voortleeft.

In diverse musea zullen tentoonstellingen worden georganiseerd. En denk nou niet dat als je één van die tentoonstellingen hebt gezien dat je ze allemaal hebt gezien. Ieder museum zal zijn eigen spannende hoofdstuk uit het levensverhaal van Rembrandt vertellen. Voor het volgende kun je terecht op een andere locatie.

Er valt namelijk nogal wat over Rembrandt van Rijn te vertellen. Al vanaf het begin van zijn schilderscarrière wordt hij opgemerkt in de hogere kringen, en binnen de kortste keren is hij een van de populairste kunstenaars van zijn tijd. Medekunstenaars zijn diep onder de indruk van hem, en alle rijkelui willen zich door hem laten portretteren (de armelui waarschijnlijk ook wel, maar die kunnen het niet betalen).

Rembrandt leefde in de Gouden Eeuw. Maar wat was dat nu eigenlijk voor tijd? En wat voor mensen waren degenen die zijn werk kochten?

In het Fries Museum kun je al voordat het Rembrandtjaar echt van start gaat terecht om meer te weten te komen over Rembrandt en zijn tijd. (Vanaf 24 november tot en met 17 maart 2019) vormt Rembrandt en Saskia: Liefde in de Gouden Eeuw een prelude op het themajaar. Met Rembrandt en Saskia als uitgangspunt wordt getoond hoe het eraan toeging in een societyhuwelijk van de zeventiende eeuw. Huwelijksportretten, schetsen en persoonlijke voorwerpen laten zien hoe lief en leed werd gedeeld.

Ter gelegenheid van deze tentoonstelling keert een van de meest persoonlijke meesterwerken van Rembrandt van Rijn, Saskia en profil in kostbaar kostuum voor het eerst in ruim 250 jaar terug naar Nederland. Rembrandt voltooide dit portret kort na de dood van zijn vrouw in 1642.

Wie waren er nog meer belangrijk in het leven van Rembrandt? Bij wie kon hij terecht in tijden van nood? Wie waren zijn vrienden?

Dat ontdek je in Museum Het Rembrandthuis, tijdens de tentoonstelling Rembrandt’s Social Network (1 februari 2019 – 19 mei 2019. Hier komt uiteraard zijn jeugdvriend en medeschilder Jan Lievens voorbij, met wie hij in zijn jonge jaren een atelier deelde in Leiden. Ook is er aandacht voor zijn vriendschap met burgemeester Jan Six. En met apotheker Abraham Francen, die Rembrandt in zijn moeilijke laatste fase van zijn leven regelmatig bijstond op financiëel en juridische gebied.

Meer aandacht voor bevriende kunstenaars van Rembrandt is er in de tentoonstelling Jonge Rembrandt 1624 – 1634 (3 november 2019 – 9 februari 2020) in Museum de Lakenhal. In deze tentoonstelling worden de vroegste jaren uit de carrière van Rembrandt onder de loep genomen.

Ruim 40 schilderijen, 120 etsen en 20 tekeningen laten zien welke enorme ontwikkeling Rembrandt tijdens de eerste tien jaar van zijn kunstenaarschap doormaakte. Het is niet toevallig dat deze werken in Museum De Lakenhal te Leiden worden getoond. Nog geen kilometer verderop voltooide Rembrandt zijn eerste schilderijen. Zoals zijn Zelfportret, dat hij op 22-jarige leeftijd schilderde. Aan dit portret is goed te zien hoe Rembrandt experimenteerde met licht, dat hij langs zijn fijne krullen liet strijken. Het belangrijkste deel van het gezicht – de ogen – laat hij bijna wegvallen in het duister.

Zelfportret, Rembrandt. 1628
Zelfportret, Rembrandt. 1628. Rijksmuseum, Amsterdam

Een wel heel breed overzicht van het oeuvre van Rembrandt is van 15 februari tot en met 10 juni te zien in Het Rijksmuseum. Nooit eerder pakte dit museum uit met een tentoonstelling van alle werken van Rembrandt uit de collectie: 22 schilderijen, 60 tekeningen en 300 prenten. De tentoonstelling Alle Rembrandts moet een uitgebreid beeld geven van wat Rembrandt als kunstenaar én als mens bezighield.

Wat maakte het werk van Rembrandt nu zo anders dan anderen? Kenners beweren een echte Rembrandt met het blote oog te kunnen herkennen. Zoals we eerder dit jaar na de ontdekking van een Rembrandtportret door Jan Six (inderdaad: afstammeling van de bevriende burgemeester) hebben kunnen vernemen, kan dat een aardig zakcentje opleveren. Zouden wij zo’n meesterwerk ook kunnen herkennen?

Vind het uit in Het Mauritshuis, in de tentoonstelling Rembrandt en het Mauritshuis (31 januari 2019 – 15 september 2019). Hier zal de ontdekking van de Rembrandtschilderijen in de collectie worden besproken. Het publiek wordt uitgenodigd om zelf te kijken en te vergelijken. Het Mauritshuis organiseert in 2018 en 2019 nog twee andere tentoonstellingen rondom Rembrandt, te weten Beeldvorming over Johan Maurits (4 april 2019 – 7 juli 2019) en over één van Rembrandt’s leerlingen Nicolaesz Maes (7 oktober 2018 – 19 januari 2019).

Museum Het Rembrandthuis laat in Laboratorium Rembrandt (21 september 2019 – 16 februari 2020) zien op welke manier wetenschappers onderzoek doen naar de materialen die kunstenaars uit de tijd van Rembrandt gebruikten. De laatste jaren zijn er diverse nieuwe onderzoeksmethoden aan het licht gekomen. De onderzoekers delen middels deze tentoonstelling graag hun ervaringen.

Ook in Museum Het Rembrandthuis is van 7 juni 2019  tot en met 1 september de tentoonstelling  Inspired by Rembrandt te zien. Deze omvat een zeer diverse collectie werken van zowel lang- als kort geleden. Er is werk te zien van onder andere Edgar Degas, Pablo Picasso, Willem den Ouden en Glenn Brown.

In Het Rijksmuseum is van 11 oktober 2019 tot en met 19 januari 2020 de bijzondere tentoonstelling Rembrandt – Velásquez te zien. Schilderijen van Velázquez, Rembrandt, Murillo, Vermeer, Zurbarán, Hals en Ribera komen voor het eerst samen dankzij een samenwerking tussen het Museo del Prado in Madrid en Het Rijksmuseum. De Spaanse en Nederlandse meesterwerken zullen in paren worden gepresenteerd zodat ze met elkaar in dialoog gaan.

Zoals inmiddels duidelijk zal zijn: er is geen reden tot verveling tijdens het komende Rembrandtjaar. Ongetwijfeld zal ik nog apart op de diverse tentoonstellingen terugkomen. Die Museumjaarkaart zal zijn geld wel weer dubbel en dwars opbrengen!

Meer informatie kun je verkrijgen via deze link.

Tentoonstelling: High Society in het Rijksmuseum

Op de dag dat ik de tentoonstelling High Society aanvankelijk wil bezoeken moet het Rijksmuseum haar deuren sluiten vanwege een stroomstoring. Gelukkig woon ik in de buurt en kan ik de volgende dag een nieuwe poging wagen, maar wat een sof: op de tweede dag van zo’n grootse tentoonstelling het toegestroomde publiek moeten wegsturen!

Reeds aangeschafte kaartjes van die dag (9 maart) blijven geldig voor een later bezoek, dus reis vooral opnieuw af naar het Museumplein, ook als je vanuit de andere kant van het land moet komen. Je zult er geen spijt van krijgen!

Op de tentoonstelling zijn 39 levensgrote ‘ten voeten uit’ portretten te zien. Het schilderen van zo’n portret is niet makkelijk, en gold dan ook eeuwenlang als een belangrijke proeve van bekwaamheid voor portrettisten. 

De naam High Society slaat op degenen die op de portretten worden afgebeeld. Het betreft hier de Bobo’s van weleer: mensen met geld en status. Deze status benadrukten zij door zichzelf op deze wijze te laten afbeelden: dan stelde je écht iemand voor!

De aanwezigen die mij het meest opvielen zal ik hier aan je voorstellen. De rest ontmoet je wanneer je zelf langs gaat op het feestje van Marten en Oopjen. 

De schilderijen komen uit verschillende stijlperioden. De populariteit van de mansgrote portretten was geen oprisping: op de tentoonstelling zijn portretten daterend van 1514 tot het begin van de vorige eeuw aanwezig. Ze zijn als gasten op een feestje bijeengebracht ter ere van de terugkeer van Marten Soolmans en Oopjen Coppit, het beroemde koppel geschilderd door Rembrandt. De afgelopen anderhalf jaar verbleven zij voor onderhoud in het restauratie-atelier van het Rijksmuseum.

Hendrik de Vrome en Katharina van Mecklenburg, Lucas Cranach
Hendrik de Vrome en Katharina van Mecklenburg, Lucas Cranach

De twee oudste portretten zijn die van het koppel Hendrik de Vrome en Katharina van Mecklenburg, in 1514 geschilderd door Lucas Cranach I. De twee dragen peperdure huwelijkskledij. Bianca du Mortier, conservator kostuum van het Rijksmuseum in het radioprogramma Opium: “Het kostuum van Hendrik is een beetje vergelijkbaar met die enorm dure spijkerbroeken waar met opzet scheuren in zijn gemaakt. Ook in dit huwelijkskostuum zijn met behulp van een heet mes inkepingen gemaakt. Dit noemde men ‘hakkelen’ en was in die tijd uitermate populair!” Het paar is behangen met sieraden. In één van de kettingen van Catharina staan de initialen ‘HK’, van Hendrik en Katharina, aan een ketting van Hendrik hangt een hanger met twee handen ineengeslagen om een hart. Op beide portretten is een hond afgebeeld, symbool voor huwelijkse trouw. Op het lijfje van de jurk van Katharina is de letter ‘M’ herhaaldelijk, in een patroon geborduurd, vermoedelijk als verwijzing naar haar familienaam. 

De portretten werden ooit op panelen geschilderd, en hierdoor uiterst gevoelig voor de tand des tijds. Daarom zijn ze overgezet op canvas. Dat dat mogelijk is wist ik ook niet, maar dat kan dus, met behulp van een ingewikkeld en griezelig proces

Uit dezelfde periode komt het portret van de machtige Keizer Karel V (1532), door Jacob Siesenegger. Karel draagt een bijzonder kledingstuk, dat ook Matthijs van Nieuwkerk in De wereld draait door leek te fascineren

Het betreft een eivormige tok, de zogenaamde braguette. Dit was een schaamkapsel, dat was afgeleid van het ridderharnas. Dit ontstond uit praktische overwegingen: mannen droegen alleen maar losse pijpen, geen hele broek. Op deze manier konden zij hun edele delen toch aankleden. In het radioprogramma Opium vertelt Bianca du Mortier, conservator kostuum van het Rijksmuseum: “Soms zat er nog een zakje aan de buitenkant van de braguette (autocorrect maakt er steeds ‘baguette’ van). Hierin kon men zakdoekjes of versnaperingen zoals een mandarijntje bewaren.” De braguette kon versierd zijn met borduursels en edelstenen. Hoe uitbundiger, hoe vruchtbaarder, dat wilde de drager althans uitstralen.

Karel V zette met dit portret de norm voor toekomstige staatsieportretten. Vanaf dat moment werden deze allemaal ten voeten uit geschilderd of gefotografeerd. 

De kleding van de invloedrijken der aarde is in de loop der eeuwen stukken minder uitbundig geworden. Hier en daar waagt een popster zich aan extreme outfits, maar ik kan me geen hooggeplaatst persoon voorstellen dat zich zou laten afbeelden als Kapitein Thomas Lee, in 1594 geschilderd door Marcus Gheeraerts. Lee was huurling in het Engelse koloniale leger van koningin Elisabeth I in Ierland, in dienst om de Katholieken in toom te houden. Dat hij zelf ook katholiek was hield hij uiteraard verborgen.

Kapitein Thomas Lee door Marcus Gheeraerts

Het eerste wat opvalt is zijn enorme decolleté. Verder draagt hij geen broek, wat op zijn minst opmerkelijk is te noemen. Het is een eerbetoon aan de straatarme Ierse voetsoldaten die blootsvoets het gevecht moesten aangaan. In die zin valt het schilderij te interpreteren als aanklacht. De Latijnse inscriptie op de bladeren van de boom refereert aan een quote van Livius die vrij vertaald ‘Doen en moedig standhouden’ betekent. Dit slaat op een verhaal over de Romeinse soldaat Scaevola, die infiltreerde in het Etruskische leger en toen hij werd gepakt zijn hand in het vuur stak om zijn moed te tonen. De gelijkenis tussen Sceavola en Thomas Lee wordt benadrukt door Lee’s verminkte hand, die er treurig bijhangt. 

Maurits, prins van Oranje, rond 1615 geschilderd door Michiel van Mierenvelt draagt een verguld harnas. Net als veel van de andere portretten in de tentoonstelling is hier de stofuitdrukking waanzinnig. Stofuitdrukking is de manier waarop een schilder een bepaald materiaal met verf op het doek nabootst. Prins Maurits is meerdere keren door van Mierenvelt geportretteerd. Uit recent onderzoek is gebleken dat Van Mierenvelt voor portretten die vaak moesten worden herhaald, gebruik maakte van geperforeerde tekeningen van het hoofd. Door hier met een kwast met grafiet overheen te strijken, kwamen de contouren dan op het doek te staan.

Maurits, prins van Oranje door Michiel van Mierenvelt
Maurits, prins van Oranje door Michiel van Mierenvelt

Veronese en van Mielich schilderden in ongeveer dezelfde periode een koppel. Veronese schilderde graaf Iseppo da Porto met zijn zoontje en gravin Livia da Porto Thiene met haar dochter en van Mielich schilderde Hertog Albrecht V van Beieren en Anna van Oostenrijk, De koppels hangen naast elkaar in één van de zalen en laten goed het verschil in de vaardigheid van het weergeven van de anatomie weer. Niet alleen de manier waarop de menselijke anatomie is geschilderd loopt uiteen. Beide vrouwen dragen een marter met een gouden masker, in de zestiende eeuw een talisman voor zwangere vrouwen. Het beestje van Veronese blinkt uit. 

Voor de portretten van de publiekstrekkers Marten en Oopjen is het druk. Mensen drommen samen om een glimp op te vangen van het mooi gerestaureerde stel. Terecht. Het zijn wonderschone portretten die na de opknapbeurt nog beter tot hun recht komen. De verschillende nuances zwart in de kleding zijn goed zichtbaar, zo zien we duidelijk de stippen op de jurk van Oopjen. 

Bianca du Mortier: “Het is nog steeds heel bijzonder dat ze hier zijn. Tot een paar jaren geleden waren ze in privébezit van een familie in Parijs. Ze hingen in de slaapkamer.”

Luisa Casati trekt ook als geschilderde gedaante direct de aandacht, precies zoals zij ooit in levende lijve deed. Giovanni Boldini schilderde deze extravagante vrouw in 1908.

Luisa Casati door Giovanni Boldini
Luisa Casati door Giovanni Boldini

Deze markiezin leidde een zeer uitbundig leven. Ze was de meest bekende celebrity van het begin van de 20e eeuw. Ze zag zichzelf als een kunstwerk en droeg levende slangen als juwelen. Haar haren verfde ze in extreme kleuren en in haar jurken verwerkte ze pauwenveren en brandende gloeilampen. Regelmatig ging ze aan de wandel met twee aangelijnde luipaarden. Ook reed ze in een gouden koets, vergezeld door naakte dienstbodes. Ze gaf regelmatig feesten waar de drank rijkelijk vloeide en de cocaïne in all-you-can-sniff hoeveelheden aanwezig was. Ze gaf geld uit als water waardoor ze bankroet eindigde en stierf in eenzaamheid. 

Boldini heeft er alles aan gedaan om Luisa zo flamboyant mogelijk weer te geven. Zijn wilde verftoets raast als een wervelwind over het doek, in een poging haar wilde en onvoorspelbare leven in één beeld te vangen. Haar ogen zijn donker omlijnd met kohlpotlood, maar wie er goed inkijkt, ziet wat er schuil gaat achter haar uitbundigheid. 

Walther Rathenau door Edvard Munch
Walther Rathenau door Edvard Munch

Edvard Munch kennen we natuurlijk allemaal van De Schreeuw, het kronkelende landschapsschilderij waar het onheilspellende vanaf spat. Hoe anders is het portret van zakenman en politicus Walther Rathenau, dat hij in 1907 schilderde. Het is een statig portret, waarvan Munch twee versies heeft gemaakt. De kenmerkende golvende lijnen heeft Munch niet helemaal achterwege gelaten. In de achtergrond, de stropdas en een heel klein beetje in het jasje heeft hij ze subtiel een plek gegeven. Munch gebruikte voor dit schilderij maar weinig verf, Rathenau is in dunne lagen opgezet. Mooi om even te vergelijken met het pastels opgezette portret van Anna, gravin van Noailles, in 1931 geschilderd door Kees van Dongen. Ze hangt recht tegenover Rathenau. In grove verfstreken heeft van Dongen met dikke klodders verf de essentie van deze grand dame weten te vangen. Het portret stuitte aanvankelijk op weerstand, door het enorme decolleté. Het voetje dat subtiel onder de jurk van Anna uitpiept is misschien nog wel uitdagender…

Het voetje van Anna door Kees van Dongen
Het voetje van Anna door Kees van Dongen

Vergeet vooral de knappe Dokter Pozzi niet te groeten voordat je de laatste zaal met portretten verlaat. Pozzi was gynaecoloog en werd door zijn patiënten onweerstaanbaar gevonden. Hij had onder zijn clientèle dan ook meerdere minnaressen. Door één van hen, actrice Sarah Bernard, werd hij Dr. Dieu genoemd. John Singer Sargent schilderde zijn opvallende portret in 1881.

Bij High Society hoort een toegift. Deze bestaat uit High Society Uncut, een verzameling prenten waarop de guilty pleasures van de elite zijn afgebeeld. 

Kijk maar eens goed naar het Valsspelende paar bij het kaarten, waarop nogal opzichtig is te zien hoe een onnozel slachtoffer tijdens een spelletje kaarten een loer wordt gedraaid.

Prins Eugenius van Savoye,e rond 1725 door Cornelis Troost
Prins Eugenius van Savoye,e rond 1725 door Cornelis Troost

Of naar Prins Eugenius van Savoye, rond 1725 door Cornelis Troost werd vastgelegd. De prins zit rechts op een stoel en grijnst. Hij geniet zichtbaar van de halfnaakte prostituees die door een bordeel paraderen. Links in beeld is te zien hoe Madame Traese, de eigenaresse van het sjieke bordeel aan de Prinsengracht één van de prostituees helpt met het optrekken van haar jurk.

Er is een apart kabinet met – je bent gewaarschuwd – expliciete afbeeldingen, die vaak door anonieme graveurs zijn gemaakt. Ze wilden hun reputatie niet op het spel zetten. Wat er exact op deze afbeeldingen te zien is moet je zelf maar gaan bekijken!

De tentoonstelling nodigt uit om een tweede rondje te maken. Let dan eens op het verschil tussen de losjes geschilderde schilderijen uit het begin van de twintigste eeuw die je als laatste zag en de vroegste schilderijen die ik aan het begin van dit blog besprak. 

High Society spreekt tot de verbeelding van velen. Weekblad Privé wijdde een speciale editie aan de tentoonstelling almede Harper’s Bazaar. Koefnoen maakte in samenwerking met het Rijksmuseum een komisch promotiefilmpje. 

In de museumwinkel zijn de gebruikelijke ansichtkaarten en koelkastmagneten te koop, en natuurlijk ook een catalogus. En speciaal ter ere van Marten en Oopjen verschenen een Gouden Boekje en een setje Playmobil!

High Society – Vier eeuwen glamour
Tot en met 3 juni 2018
Rijksmuseum
Museumstraat 1
Amsterdam

Nederlanders in Parijs

Een weekendje Parijs. Voor velen van ons is het vandaag de dag zo gewoon: zes uur met de auto, of drie uur met de Thalys! Zo’n reis is stukken comfortabeler dan die van de Nederlandse kunstenaar Johan Barthold Jongkind die aan het begin van de 19e eeuw de tocht naar Parijs maakt. Vijf dagen lang zit hij in een hobbelende koets om geradbraakt aan te komen in de stad van de belofte. De stad van de vooruitgang.   Het is 1846 als Johan Barthold Jongkind naar Parijs vertrekt. Een jaar eerder heeft hij de Franse schilder Eugène Isabey ontmoet bij de onthulling van een standbeeld van Willem van Oranje-Naussau. De Fransman nodigt hem uit als leerling in zijn atelier. Met behulp van een beurs, verstrekt door Koning Willem II, kan Jongkind deze droom waarmaken. Hij heeft het naar zijn zin in Parijs. Dankzij zijn open karakter maakt hij makkelijk contact en sluit hij vriendschap met onder andere Daubigny, Baudelaire, Rousseau en Corot. Na een periode waarin Jongkind vooral de kunst afkijkt van anderen, timmert hij al vrij snel aan de weg in Frankrijk. Hij wint diverse prijzen in de Salon, dé toonaangevende tentoonstelling in Parijs. Wie mee wil tellen, moet tot dit instituut worden toegelaten.   Aan zijn avontuur in Parijs lijkt een vroegtijdig einde te komen wanneer zijn beurs wordt ingetrokken. Korte tijd later keert hij, inclusief drankprobleem, terug naar Nederland.   

Johan-Barthold Jongkind (1819-1891). “Notre-Dame vue du quai de la Tournelle”. Huile sur toile, 1852. Musée des Beaux-Arts de la Ville de Paris, Petit Palais.

Dankzij een liefdadigheidsveiling, georganiseerd door zijn kunstenaarsvrienden, kan Jongkind terugkeren naar Parijs, waarna hij een zeer productieve periode doormaakt. Hij maakt kennis met een nieuwe generatie kunstenaars die hij op zijn beurt begeleidt: zo leert hij niemand minder dan Claude Monet goed te kijken naar het licht.    In de jaren zestig van de 19e eeuw zegt Monet hierover: “Jongkind vroeg me mijn schetsen te laten zien en nodigde me uit om met hem te gaan werken. Hij legde me uit waarom hij schilderde en werd mijn ware meester. Jongkind is verantwoordelijk voor de opvoeding van mijn ogen.”    Niet alleen Jongkind weet de weg naar Parijs te vinden. In de 19e eeuw reizen veel Nederlandse kunstenaars naar Parijs. Met een bruisende gemeenschap bestaande uit jonge kunstenaars, gerenommeerde opleidingen, de Salons waarin werk kan worden tentoongesteld en het Louvre met zijn prachtige collectie oude meesters is deze stad een Walhalla voor deze creatieve geesten. Er wordt onderling gediscussieerd, en ideeën over kunst worden uitgewisseld. Een aantal kunstenaars keert na een paar jaar weer terug naar Nederland en inspireert vervolgens de thuisblijvers.    In de tentoonstelling ‘Nederlanders in Parijs 1789-1914 bekijken we de Franse hoofdstad door de ogen van Nederlandse kunstenaars die op zoek naar inspiratie zuidwaarts reisden. Een prachtige collectie vertelt ons van wie zij leerden en wat de omgeving van Parijs met hen deed.    Verdeeld over drie etages kunnen bezoekers zich vergapen aan schilderijen en tekeningen van deze kunstenaars, die ieder een eigen gedeelte in de zalen hebben. Ernaast hangt werk van hun inspirators en/of navolgers. Op deze manier is per kunstenaar goed te zien op welke manier zij de kunst bij anderen hebben afgekeken, of hoe anderen de kunst bij hen afkeken: wat betreft onderwerp, manier van schilderen, stijl, sfeer, materiaal… of een combinatie van aspecten.   

    Een kunstenaar die waarschijnlijk niet zelf de keuze maakt om naar Parijs te vertrekken is Ary Scheffer. Het is 1811 en hij is zestien jaar oud, als zijn moeder met hem naar Parijs verhuist. Zijn carrière verloopt in sneltreinvaart. Aanvankelijk is hij tekenleraar van de kinderen van de hertog van Orleans, maar als de hertog koning wordt, krijgt Scheffer een vaste positie aan het hof. Hij sluit vriendschap met de Franse schilders Géricault en Delacroix. In de tentoonstelling is zijn werk naast dat van hen opgesteld en wordt direct duidelijk dat zij elkaars werk goed hebben bekeken. Zo is de dramatische manier van schilderen, met de hevige licht-donker-contrasten, bij alle drie de kunstenaars aanwezig.      Ik heb lang staan kijken naar het schilderij ‘Francesca da Rimini en Paolo Malatesta aanschouwd door Dante en Vergilius’. Net als vele anderen uit verleden en heden ben ik onder de indruk van het drama dat zich hier voltrekt: Het beeldt een verhaal uit ‘La Divina Comedia’ uit. In het oog springt de opvallende diagonaal, bestaande uit een in elkaar verstrengelde Francesca en Paola, drijvend op de stormen van de hel. Via links boven wordt mijn blik naar rechts onder geleid, langs de lange lokken en de billen van Francesca. Daar, aan de rechterkant, meer in het duister, vallen mij twee figuren in de achtergrond op. Het zijn de Romeinse dichter Vergilius, die wordt rondgeleid in de hel door Dante, de schrijver van ‘La Divina Comedia’. Beide mannen kijken peinzend: de voorste figuur fronst zijn voorhoofd, de achterste houdt zijn hand tegen zijn gezicht: alsof hij heel diep nadenkt.  

Ary Scheffer, Francesca da Rimini en Paolo Malatesta aanschouwd door Dante en Vergilius, 1854, Hamburger Kunsthalle

Francesca en Paolo bevinden zich in de tweede ring van de hel, de ring van de wellustigen. Zij zijn gestorven aan een verboden liefde. Francesca was gedwongen te trouwen met de wanstaltige Gianciotto. Zij was echter verliefd op de knappe Paolo, de jongere broer van Gianciotto. Op het moment dat zij toegeven aan hun passie, worden zij verrast door Gianciotto die ze met een zwaard doodsteekt. Op de borst van Paolo en op de rug van Francesca zijn inderdaad steekwonden te zien.

Dit schilderij wordt toegelaten tot de Salon en omdat het schilderij waanzinnig populair blijkt, maakt Scheffer nog negen vergelijkbare exemplaren.

Kees van Dongen vertrekt in 1899 naar Parijs. Inmiddels duurt het geen vijf dagen meer om daar aan te komen, maar slechts één. De reis verloopt ook een stuk comfortabeler: inmiddels rijdt er een trein. Hij gaat wonen in het Montmartre gebied, een gebied dat aanvankelijk nog vrij dorps is, maar zich aan het einde van de negentiende eeuw ontwikkelt tot uitgaansgebied. Van Dongen voelt zich enorm aangetrokken tot het uitgaansleven, wat op zijn schilderijen met prachtig uitgedoste vrouwen duidelijk te zien in.

Franse critici vinden zij werk te heftig. De heftige penseelstreken en de felle kleuren zijn hen te veel. Naast de bijna monumentale schilderijen van dames maakt hij ook kleine tekeningen op straat. Zelf zegt hij daarover: “Een krijt of inktkrabbel, eventjes een kleurtje erop en klaar is Kees”.  

Kees van Dongen, Hindoedanseres, ca. 1909-1910
Particuliere collectie (met dank aan Libbie Howie)

In 1909/1910 schildert Kees van Dongen de ‘Hindoedanseres’. Hij besteedt duidelijk meer aandacht aan de compositie, de manier waarop het figuur op het vlak is geplaatst , dan aan haar anatomie. De kronkelende vrouw is figuratief geschilderd, maar de vlakken die haar omringen lijken puur neergezet om haar lichaamshouding kracht bij te zetten: ze stellen verder niet veel voor. Of het moet een rookwolk zijn waarin zij al dansend ruimte heeft gemaakt voor haar gestalte, met onder haar rechterarm nog een flard. Hoe van Dongen het voor elkaar heeft gekregen weet ik niet, maar een paar grove penseelstreken geven het glanzende materiaal van haar broek en haar sieraden weer. Het schilderij krijgt nog even wat meer dynamiek door de groene schaduwen op haar huid die hevig contrasteren met de rode achtergrond.

Naast Jongkind, Scheffer en van Dongen, komen nog vijf andere Nederlandse kunstenaars ruim aan bod binnen de tentoonstelling. Zo is een mooie metamorfose te zien binnen het werk van Piet Mondriaan. De schilderijen van vóór zijn verblijf in Parijs zijn figuratief. Wel is al te zien dat hij geneigd is tot vereenvoudiging van de vormen. Eenmaal in aanraking gekomen met het kubisme, wordt zijn werk steeds abstracter. Totdat zijn werk alleen nog maar uit de bekende vlakken en lijnen bestaat.

Er is aandacht voor George Hendrik Breitner, die zijn inspiratie vooral buiten op straat vond en een fascinatie had voor paarden. Verder had hij veel aandacht voor het werk van Degas. Door hiernaar te kijken leert hij de bekende balletdanseressen schilderen.Terug in Nederland brengt hij dit meerdere malen in de praktijk.

Natuurlijk biedt het Van Gogh Museum ruimte aan van Gogh, die uiteindelijk twee jaar in Parijs verblijft. Eerst moet hij niet veel hebben van het werk van de impressionisten, dat hij in Parijs veel tegenkomt, maar uiteindelijk gaat hij overstag. Zijn schilderijen, hier mede op geïnspireerd, stelt hij tentoon in café’s, in de hoop iets van zijn werk te verkopen. Helaas blijft dit zonder resultaat.

Ook Gerard van Spaendock komt aan bod, hofschilder en bekend om zijn bloemstillevens.

De liefhebbers van grafiek kunnen hun hart ophalen op de bovenste etage, waar een grote serie etsjes, met als onderwerp ‘landelijk Montmartre’ te zien is. Voor Eugène Delâtre vormde de heuvel een onuitputtelijke bron van inspiratie. Alsof hij het landelijke karakter ervan wilde vastleggen voordat het verdwenen zou zijn. Besteed op deze etage ook vooral even aandacht aan het kleine schilderijtje dat Vincent van Gogh kort na aankomst in Parijs op de Montmartre maakt.  

Bal du Moulin de la Galette. c. 1880-1890 Eugène Delâtre (1864-1938). Ets en roulette op zwart vergépapier, 22 cm x 30.5, Van Gogh Museum, Amsterdam.

Ik vermoed dat inmiddels duidelijk is dat er meer dan genoeg te bewonderen valt binnen deze expositie, maar mocht je je toch verder willen verdiepen in deze schilders, dan kun je terecht in het Dordrechts Museum, waar vanaf 29 oktober de tentoonstelling ‘Jongkind & vrienden’ is te zien, of bezoek de tentoonstelling ‘Nederlanders in Barbizon’ bij De Mesdag Collectie in Den Haag.

Ook is het zeer de moeite waard om de bijbehorende catalogus aan te schaffen. Deze telt 272 pagina’s en is rijk geïllustreerd. In het Nederlands én Engels verkrijgbaar via de museumshop en boekhandels. Prijs: 29,90, ISBN: 978 90 6868.

‘Nederlanders in Parijs’ in het Van Gogh Museum.
Tot en met 7 januari 2018        

Hollandse Meesters uit de Hermitage

Museum De Hermitage Amsterdam heeft 63 Hollandse meesterwerken uit de Gouden Eeuw opgehangen, waarvan een groot gedeelte honderden jaren niet op Nederlandse bodem is geweest. Je weet niet wat je ziet. Nouja, ik weet wel wat ik zie, want de meeste werken ken ik uit mijn kunstgeschiedenisboeken. En hier hangen ze allemaal bij elkaar: in het echt! Ik bezocht nooit de Hermitage in St. Petersburg, waar het merendeel van deze werken normaal gesproken hangt, en ik ben de mensen van dit museum dan ook dankbaar dat ze zo’n groot deel van hun prachtige collectie Hollandse meesterwerken uit logeren hebben gestuurd naar Amsterdam. Tijdelijk verblijven zij niet aan de Neva, maar aan de Amstel.

De Hermitage in Amsterdam

Zeker als je bedenkt dat de directeur van de Hermitage in St. Petersburg, Michail Pitrovsky, bij de opening van de Amsterdamse vestiging beloofde dat de Hollandse meesterwerken niet naar Nederland zouden komen. De Hermitage mocht geen concurrent van de Nederlandse musea worden. Inmiddels is er eerder sprake van samenwerking dan van concurrentie en besloot het Nederlandse culturele landschap gezamenlijk dat het een goed idee zou zijn om de meesterwerken hier te laten zien. 

Pitrovsky is blij met de tentoonstelling: “De politieke relaties staan behoorlijk onder druk. Het is daarom belangrijk dat we onze culturele relatie benadrukken”. Kunst verbroedert. En kunst geeft stof tot discussie. Want horen deze werken niet gewoon thuis op Nederlandse bodem, daar waar ze ooit tot stand zijn gekomen? Is het niet raar dat een museum tweeduizend kilometer verderop deze kunst in bezit heeft? Pitrovsky: “Wij zijn als museum bewaarders, geen eigenaar. Kunst behoort niet toe aan een staat, maar aan de wereld”.    

De Hermitage in St. Petersburg

In de 17e eeuw vond er in Nederland een enorme economische groei plaats. Amsterdam werd een heel belangrijke handelsstad en een centrum van wetenschap en kunst.

De rijkdom die werd verdiend met de handel had ook een minder mooie kant: Nederlandse kooplieden maakten Afrikaanse burgers tot slaaf en verhandelden hen. Na een barre overtocht, opeengepakt op een schip, moesten zij zonder betaling en onder vreselijke omstandigheden enorm zwaar werk verrichten. Veel van wat vergaard werd in de Gouden Eeuw is letterlijk over hun ruggen verdiend. Ik was benieuwd of ook voor deze kant aandacht zou zijn in deze tentoonstelling, maar ik heb dat niet kunnen bespeuren. Wellicht is het aan mijn aandacht ontsnapt, maar vooralsnog ga ik er vanuit dat dit niet het verhaal is dat de Hermitage op dit moment wil vertellen. Wie weet in de toekomst.

Op naar het kunstzinnige aspect. Veel van de 17e eeuwse Hollandse schilders specialiseerden zich in één schildergenre. Zo schilderen Pieter Lastman en Joachim Wtewael vooral Bijbelse voorstellingen. Frans Hals en Govert Flinck maakten vooral portretten en Jan van Goyen en Jacob van Ruisdael waren specialist in het neerzetten van een landschap.      Rembrandt beheerste meerdere genres. Wij kennen hem natuurlijk allemaal van zijn Nachtwacht en zijn portretten, maar hij was ook meester in het schilderen van Bijbelse en mythologische thema’s, genrestukken (voorstellingen uit het dagelijks leven), historische taferelen en dierstudies. Naast schilder was hij ook een ongeëvenaard graficus, wat blijkt uit zijn vele etsen.   

Rembrandt van Rijn is binnen ‘Hollandse Meesters’ ruim vertegenwoordigd. Zes van zijn schilderijen prijken aan de wand van wat Marlies Kleiterp (hoofd tentoonstellingen) het ‘Rembrandtplein’ noemt. Het schilderij dat mij in deze zaal het meest opvalt is Flora, oftewel Saskia, zijn vrouw, in de hoedanigheid van deze Romeinse godin van de planten, bloemen en de vruchtbaarheid.     

Flora, Rembrandt van Rijn (1634)

Rembrandt hoopt kinderen te krijgen met zijn kersverse bruid, zoveel is duidelijk. Hij heeft zijn uiterste best gedaan om Saskia zo mooi mogelijk te schilderen. De stoffen die ze draagt, het goud, de bloemen… ze zijn haast tastbaar. Hij weet op het moment van schilderen nog niet dat van de vier kinderen die hij samen met Saskia zal krijgen, er drie zeer jong zullen overlijden. Ook Saskia wordt niet erg oud: ze sterft nog voor haar dertigste aan tuberculose.

Op de tentoonstelling hangen verder onder andere werken van Gerard Dou, Isaac van Ostade, Gerard ter Borch, Jan Steen en Govert Flinck. Ik kan beter opschrijven wie niet van de partij is!

Erg leuk vind ik het schilderij Gezicht op het stadhuis in Amsterdam van Gerrit Berkheyde. Als Amsterdammer weten we allemaal hoe omgeving van het Paleis op de Dam er vandaag de dag uitziet. Aan de voorzijde, maar ook aan de achterzijde. Op het schilderij van Berkheyde is te zien hoe het paleis (toen nog stadhuis) er in 1670 bijstond. Er liep in die tijd een gracht achter het stadhuis langs, die inmiddels is gedempt. Het was er vast heel rustig, zonder het geluid van voorbijrazende auto’s en bellende trams. Aan het gebouw is niet veel veranderd, en nog altijd staat Atlas met de wereld op zijn schouders: onvermoeibaar.  

Gezicht op het stadhuis in Amsterdam, Gerrit Berkheyde (1670)

De straf van een jager van Paulus Potter is haast een stripverhaal. We zien jachtimpressies, waarin de rollen uiteindelijk zijn omgedraaid: de dieren jagen op de mens. Potter schilderde het als waarschuwing aan prins Johan Maurits. “Wees voorzichtig met het volk, anders maakt het volk jou een kopje kleiner”.

De taferelen aan de buitenrand tonen uiteenlopende jachtscènes waarbij steeds andere dieren het doelwit van de jager vormen. Verder zijn een Bijbels en een mythologisch verhaal te zien: het verhaal van St. Hubertus, waarin de jagende Hubertus gewaarschuwd wordt door een ‘heilig hert’ en de mythe waarin de naakte Diana wordt bespieden door de jager Acteon, en hem voor straf in een hert verandert.

De twee scenes in het midden tonen de terechtstelling van de jager en zijn handlangers: zijn honden. Er wachten hen gruwelijke straffen. De wraak is van de gezichten van de dieren af te lezen, Potter heeft bijzonder zijn best gedaan op het uitbeelden van emotie.  

De straf van een jager, Paulus Potter (1647)


Schuin voor het schilderij van Potter, staan twee vazen met daarop reproducties van taferelen uit De straf van een jager. Deze werden in 1830 door de Keizerlijke Porseleinfabriek vervaardigd. 

Vaas met tafereel uit ‘De straf van een jager’.

Hoe zijn al deze werken nou ooit in Rusland terechtgekomen? De Hollandse schilderijen waren uitermate populair bij de Russische tsaren. Zij vonden vooral de manier waarop het ‘echte leven’ in beeld werd gebracht aantrekkelijk. Ze bewonderden de details en de kleurnuances. Soms hadden ze in het bijzonder liefde voor een bepaald genre. Tsaar Peter de Grote bijvoorbeeld, was erg geïnteresseerd in afbeeldingen van schepen en de zee. Hij vond ze prachtig, maar gebruikte ze ook als voorbeeld bij het bouwen van zijn vloot.

Vandaag de dag zijn de Russen nog steeds liefhebber van de Hollandse meesterwerken. Cathelijne Broers (directeur Hermitage Amsterdam): “Russische kinderen leren op school nog steeds gedichten over de Hollandse meesters uit het hoofd”. En op maandag komen studenten van kunstacademies naar De Hermitage in St. Petersburg toe om de Hollandse meesters te kopiëren.  

Ik had het enorme geluk de tentoonstelling te mogen bezoeken tijdens een perspresentatie. Het was erg rustig in de Hermitage en ik kon bijvoorbeeld vijf minuten lang ongestoord van Flora genieten. De komende maanden zal het waarschijnlijk drukker zijn in het museum, dat dan met tijdsloten zal gaan werken. Het is slim om ruim van tevoren je kaartje te reserveren. 

Onze logeetjes laten in St. Petersburg een groot gat achter. Irina Sokolova, hoofd van de afdeling Hollandse Kunst aldaar, heeft er een flinke klus aan: “er moet een enorme lagune worden opgevuld met vazen, mozaïeken en reproducties. Maar ik ben er trots op dat de werken in Amsterdam worden getoond. Het laat zien dat de beide Hermitages onverbrekelijk met elkaar zijn verbonden”.

Een aanrader bij deze tentoonstelling is de audiotour, vanuit het hart ingesproken door kunsthistoricus Jan Six en historiejournalist Geert Mak. Nagenieten doe je met de schitterende catalogus, voor 29,95 verkrijgbaar in de museumwinkel

Hollandse Meesters uit de Hermitage
Tot en met 27 mei 2018
Hermitage Amsterdam
Amstel 51, Amsterdam