Cool Japan in het Tropenmuseum

Al sinds het begin van de 17e eeuw is er in de westerse samenleving grote belangstelling voor de Japanse beeldcultuur. Als Nederland vanaf 1639 een alleenrecht verwerft op handel met Japan, wordt het voor importartikelen uit het Aziatische land de toegangspoort tot Europa.    Vanaf halverwege de 19e eeuw stelt Japan zich langzaamaan open voor handel met andere landen. Binnen de kortste keren ontstaat een wereldwijde fascinatie voor alles wat Japans is. De ukiyo-e prenten zijn niet aan te slepen en westerse kunstenaars zoals Van Gogh en Breitner laten zich maar al te graag inspireren door deze oosterse kunststukjes. Ik schreef hier eerder over bij de tentoonstelling Van Gogh en Japan in het Van Goghmuseum en Mesdag en Japan in Panorama Mesdag.  

Ook de van Japanse origine Mangastrips zoals vandaag de dag bekend, zijn bepaald niet van gisteren. Al in de 12e eeuw zijn op rolschilderingen de eerste beginselen van deze stijl zichtbaar in de vorm van dieren die zich kleden en gedragen als mensen.

Via de Kibyõshi, (eind 18e eeuw) geïllustreerde boekjes met een gele kaft, en een serie met terugkerende karakters in de krant, ontwikkelt de stijl zich door tot de moderne Manga met karakters met de typerende grote ogen. Katalysator van de Manga van nu is Tezuka Osamu, ook wel De God van de Manga genoemd die tussen 1946 en 1989 uitermate productief is. Tijdens zijn carrière groeit de groep liefhebbers van nationaal naar wereldwijd.   

In het begin van de 20eeeuw wordt de Mangastijl overgenomen door filmmakers. Zo ontstaat – aanvankelijk in zwart-wit – de Anime-stijl. In latere instantie breekt Manga ook door binnen de game-industrie.    Vanaf de jaren 2000 wordt de Japanse popcultuur door journalisten en academici omgedoopt tot Gross National Cool, later vereenvoudigd tot Cool Japan.

De tentoonstelling Cool Japan zet deze cultuur mooi uiteen. Naast het bespreken van de oorsprong, is er onder andere aandacht voor veelvoorkomende karakters binnen de manga- en animeverhalen. De traditioneel binnen de Japanse beeldcultuur voorkomende draken en leeuwen transformeren binnen animatiefilms en games in angstaanjagende monsters. De traditionele samoerai-krijger wordt geavanceerde robot. Vaak mét zwaard. Wist je dat het ook de samoeraikrijger was die model stond voor Darth Vader uit Star Wars?  

Wie zelf weleens een poging heeft gedaan tot het tekenen van mangafiguren zal hebben gemerkt dat dit een specifieke manier van vormgeven vraagt. In de tentoonstelling wordt besproken hoe de Manga-tekenaar omgaat met lijnvoering, vlakverdeling en perspectief, ook weer gebaseerd op de traditionele Japanse ‘platte’ prentenbeeldtaal.  

Ruimschoots aandacht is er voor de fancultuur. Over het algemeen zijn aanhangers van Cool Japan niet de meest mainstream personen. Veelal expressief uitgedost bezoeken zij in groten getale conventies en festivals gewijd aan Manga en Anime. Een aantal doet zeer fanatiek mee aan cosplays, afgeleid van costume play. Op deze bijeenkomsten verkleedt men zich als een favoriet karakter uit de Japanse popcultuur. Het eerste het beste verkleedpakje uit de feestwinkel volstaat beslist niet: online leert men van elkaar een zo realistisch mogelijke outfit zelf in elkaar te zetten!  

In de Cool Japan tentoonstelling is een aantal van dit soort indrukwekkende outfits te tentoongesteld.  In dezelfde ruimte kunnen anime-videogames worden gespeeld.   

Als tegenhanger voor de gruwelijke monsters en onverslaanbare superhero’s nemen schattigheid en sexyness een aanzienlijke plaats in binnen Cool Japan. Uitermate populair – vooral bij meisjes – zijn de zogenaamde Kawaii, wat schattig of lieflijk betekent: lieve figuurtjes met een hoge aaibaarheidsfactor. 

Op een andere manier aaibaar zijn geseksualiseerde personages, medeverantwoordelijk voor de populariteit van manga en anime. Getekende beelden maken fantaseren laagdrempelig. Als merchandise worden lichaamsgrote kussens met daarop een dergelijk personage geprint uitermate goed verkocht. 

In het laatste gedeelte van de tentoonstelling is aandacht voor robots. Die overigens hun oorsprong al hebben in het 17eeeuwse Japan!   Cool Japan is een leerzame en visueel zeer aantrekkelijke tentoonstelling. In andere beschrijvingen viel het woord Instagrammable al. Fotoverslagen zullen het op social media goed doen.    Voor degene die niet erg bekend is met de hedendaagse Japanse beeldcultuur is Cool Japan een heel interessant inkijkje. Voor de ware fan is het ongetwijfeld smullen geblazen!

Cool Japan Tot en met 1 september 2019
Tropenmuseum
Linnaeusstraat 2 Amsterdam

Het Amsterdam Museum: 1001 vrouwen uit de 20e eeuw.

Op 3 oktober 2018 presenteerde historica Els Kloek haar boek 1001 vrouwen in de 20e eeuw. Hierin vertelt zij verhalen over 1001 overleden vrouwen die leefden in de twintigste eeuw.    Het Amsterdam Museum heeft uit dit boek een selectie van zo’n 125 vrouwen gemaakt. Deze groep vrouwen wordt vergezeld door anekdotes, fotomateriaal, documenten en bijzondere voorwerpen gepresenteerd in de tentoonstelling 1001 vrouwen.   De tentoonstelling is opgedeeld in vijf tijdvakken. Hierbinnen zijn de vrouwen gerangschikt op geboortedatum. In een gratis beschikbaar gestelde audiotour vertellen bekende Nederlanders hoe zij inspiratie halen uit deze bijzondere vrouwen uit de geschiedenis.

Voor wie vrouwen per definitie als lieflijk en engelachtig ziet zou deze tentoonstelling een deceptie kunnen zijn: ook foute, gemene en/of agressieve dames komen binnen deze tentoonstelling aan bod, hetzij in minder grote getale dan de heldinnen, doordouwers en toptalenten.   Uiteraard kan ik niet alle vrouwen binnen dit stuk aan de orde laten komen, daarvoor moet je toch echt naar het Amsterdam Museum. Ik bespreek per tijdvak één of twee vrouwen die mij in het bijzonder opvielen.

Tijdvak 1: Vrouwen geboren voor 1870

De eerste vrouw die in deze tentoonstelling wordt genoemd is vanwege het tijdvak Aletta Jacobs. Maar ook zonder indeling in tijdvakken zou deze prominente plek, als eerste vrouwelijke geneeskundestudent en uiteindelijk succesvol strijdster voor het vrouwenkiesrecht, niet meer dan terecht zijn.  

Bad-ass woman van het eerste uur is dienstbode Neeltje Lokerse. Wanneer zij zwanger raakt van haar werkgever. Wanneer hij weigert het kind te erkennen bedreigt Neeltje hem met een pistool. Ze haalt de landelijke pers en wordt vervolgens onder druk van de publieke opinie vrijgesproken. Vervolgens zet zij zich in voor ‘de wet op onderzoek naar het vaderschap’.

Tijdvak 2: Vrouwen geboren tussen 1870 en 1889

Als kroonprinses Wilhelmina 10 jaar oud is overlijdt haar vader, koning Willem III. Omdat zij dan nog te jong is om de troon op te volgen neemt haar moeder Emma tijdelijk het koningschap waar. Ondertussen wordt Wilhelmina via privéonderwijs klaargestoomd voor het ambt.  

Op dit schilderij, gemaakt door Christoffel Bisschop, is Wilhelmina 11 jaar oud. In het opengeslagen boek aan de rechterzijde staat een gravure van Willem van Oranje afgebeeld. Het 17e eeuwse Amalia van Somskostuum dat Wilhelmina op het schilderij draagt is bewaard gebleven en ook te zien binnen de tentoonstelling.  

Minder bekend is verpleegster Rosa Vecht, die tijdens de Eerste Wereldoorlog dapperheid toont door herhaaldelijk naar het front te trekken om gewonde militairen te verzorgen. Aan haar jonge leven komt in 1915 tragisch een eind, waarna zij getroffen wordt door een bom uit een Duits vliegtuig. Rosa Vecht is dan 23 jaar.   

Tijdvak 3: Vrouwen geboren tussen 1890 en 1909

Vrouwen geboren binnen dit tijdvak krijgen te maken met de gevolgen van de Tweede Wereldoorlog, die de strijd om vrouwenrechten tijdelijk naar de achtergrond duwt. Dit betekent overigens niet dat vrouwen geheel stil zitten. Zo wordt Olga de Ruiter op verzoek van NSB-voorman Anton Mussert in 1941 leidster van de Nationaal-Socialistische Vrouwenorganisatie. Na de Duitse inval van de Sovjet-Unie organiseert zij een collecte voor het Duitse Rode Kruis. In 1943 zegt De Ruiter haar lidmaatschap van de NSB op omdat zij zich niet langer kan vinden in de koers van Mussert.  

Het verhaal van de legendarische Bet van Beeren, geboren in 1902 speelt zich voor de oorlog af. Bet neemt in 1927 een café aan de Zeedijk over. Ze is dan 25 jaar. Zij zorgt er dan al voor dat de gasten in haar kroeg openlijk kunnen uitkomen voor hun homoseksuele geaardheid. Wie gehecht is aan zijn stropdas moet deze niet dragen wanneer ’t Mandje wordt aangedaan. Bet knipt deze vaak bij haar mannelijke bezoekers af, waarna deze als souvenir in het café wordt opgehangen. Café ’t Mandje bestaat vandaag de dag nog steeds, of eigenlijk wéér. Het staat in de Canon van Amsterdam als symbool door de eeuwen heen. Meer over de geschiedenis van dit café kun je hier lezen. Een replica van het café is – buiten deze tentoonstelling – te zien in het Amsterdam Museum.   

Tijdvak 4: Vrouwen geboren tussen 1910 en 1929

Ook vrouwen geboren in dit tijdvak krijgen allen bewust te maken met de Tweede Wereldoorlog. Deze periode, maar ook de door kleinburgerlijkheid doorspekte jaren erna, zijn zeer bepalend voor de positie van deze vrouwen. Met de leus volksherstel is gezinsherstel wordt een dringend beroep op moederlijke plichten gedaan. Een toenemend aantal vrouwen weet zich (ten dele) aan dit keurslijf te ontworstelen en ontwikkelt zich ook op ander vlak. Zo ook Annie M.G. Schmidt. Zowel mijn ouders als mijn kinderen groeiden met haar werk op. Met een dikke vette knipoog wist deze heldin in haar boeken, radio- en tv-series, musicals, columns en liedteksten de wereld om haar heen te beschrijven.

Tijdvak 5: Vrouwen geboren na 1930

Wie is er niet geschokt wanneer in 2014 duidelijk wordt dat voormalig politica en hoogleraar Els Borst niet alleen overleden, maar om het leven gebracht blijkt te zijn? Als minister van Volksgezondheid, Welzijn en Sport in de kabinetten Kok I en Kok II strijdt zij voor een groot aantal medisch-ethische kwesties zoals euthanasie zodat deze niet meer strafbaar gesteld wordt. Ook realiseert zij een wijziging van de tabakswet waardoor het verboden wordt voor kinderen onder de 16 jaar om tabak te kopen.  

Aan de tijdvakken in het Amsterdam Museum zou ik persoonlijk nog een tijdvak willen toevoegen waarin vrouwen aan bod komen die op dit moment leven en geschiedenis zullen gaan schrijven of dit al hebben gedaan. Denk aan Ellie Lust: voormalig politiewoordvoerder en voorzitster van het initiatief ‘Roze in Blauw’, een netwerk binnen de Nederlandse nationale politie dat zich speciaal bezighoudt met de bestrijding van antihomoseksueel geweld. Ook kritisch en sociaal bewogen presentatrice Sonja Barend, en de eerste vrouwelijke burgemeester van onze hoofdstad: Femke Halsema, zouden binnen het ‘nu’ niet misstaan.   

Ik denk dat een dergelijk tijdvak in Het Amsterdam Museum welkom zou zijn. Een connectie met het hedendaagse zou deze interessante tentoonstelling toegankelijk kunnen maken voor een jonger publiek, waar het nu vooral een trip down memory lane voor de wat oudere generatie is. Het museum biedt overigens wel gelegenheid om voor jou belangrijke vrouwen – uit heden en verleden – toe te voegen aan een muur vol met vrouwennamen.

1001 vrouwen in de 20ste eeuw Tot en met 10 maart 2019
Amsterdam Museum
Kalverstraat 92 Amsterdam

Gaudí en de Amsterdamse School

In 1988, tijdens de Barcelona-reis met VWO 4, bezocht ik de Sagrada Familia voor het eerst. Een vreemde gewaarwording. De plek waar later het middenschip van de basiliek zou komen was nog onoverdekt en er stond een joekel van een hijskraan, terwijl één van de slakkenhuisvormige torens al beklommen kon worden!

Bijna dertig jaar later was ik er weer. Het gebouw was nog niet helemaal voltooid, maar inmiddels wel overdekt en indrukwekkend mooi gedecoreerd.

Antoni Gaudí (1852-1926) kreeg in 1883 de opdracht om de bouw van een basiliek die toen reeds onder prille constructie was, voort te zetten. Francisco de Paula del Villar die de bouw was begonnen had ruzie gekregen met de opdrachtgever, waarna hun wegen zich scheidden. Na het voltooien van de crypte, in neo-gotische stijl, besloot Gaudí het helemaal anders te gaan doen. Geïnspireerd door vormen uit de natuur en niet verstoken van ambitie ontwikkelde hij een aantal maquettes die uitgangspunt moesten zijn voor zijn levenswerk: een enorm bouwwerk, opgedragen aan de ‘Heilige Familie’: de Sagrada Familia. Hij hoopte deze kerk aanvankelijk binnen tien jaar af te hebben.

Naast de Sagrada Familia ontwierp Gaudí andere opvallende bouwwerken in Barcelona, zoals de Casa Mila, de Casa Batlló en Park Güell. De stijl waarin hij werkte werd Catalaans Modernisme genoemd.

In Museum Het Schip is momenteel een tentoonstelling te zien waarin Antoni Gaudí de hoofdrol speelt. Niet omdat de architecten van de Amsterdamse School nauw met hem hebben samengewerkt of omdat zij zich door elkaar lieten inspireren, maar omdat zij tegelijkertijd hard werkten om hun stad mooier te maken. Zowel de architecten van de Amsterdamse School als Gaudí lieten zich daarbij inspireren door ambachtelijkheid en de natuur, maar maakten ook graag gebruik van de nieuwste technologie. Ze deelden onafhankelijk van elkaar op hetzelfde moment hetzelfde gedachtengoed! Gaudí mag vooral bekend zijn vanwege zijn fraaie woningen voor de meer welgestelden, één van zijn eerste grote projecten betrof een samenwerking met de arbeiderscooperatie La Obrera Mataronense in Mataro, een industriestad vlakbij Barcelona. Hij voelde zich zeer betrokken bij dit project waarbinnen onder andere woonhuizen, een bibliotheek en een schoolgebouw gerealiseerd zouden worden. Helaas zorgde een crisis in de textielsector ervoor dat het project voortijdig gestaakt diende te worden. Zijn aandacht voor de maatschappelijke situatie van de arbeidersklasse vormen een ander belangrijke overeenkomst met de idealistische architecten van de Amsterdamse School, die net als Gaudí betere leefomstandigheden voor de arbeidersklasse wilden realiseren.

Op de bovenste etage van ‘Het Schip’ is het Barcelonese erfgoed te bewonderen. Het meest in het oog springen de schitterende witte maquettes. Als eerste het sprookjesachtige Casa Batlló, waaraan werkelijk alles golvend lijkt te zijn. De voorgevel van dit huizencomplex is bekleed met indrukwekkend mozaïekwerk en doet denken aan schubben. De zuilen lijken op de poten van een dinosaurus en het dakterras heeft de vorm van de rug van een draak, gemaakt met kleurige stenen. Het centrale thema van het gebouw is dan ook het verhaal van de drakendoder Sint-Joris.

Indrukwekkend is ook de maquette van het als zomerhuis bestemde Casa Vicens, tussen 1883 en 1889 gebouwd in opdracht van een welgestelde tegelfabrikant. Gaudí liet zich bij het ontwerpen zichtbaar inspireren door Moorse bouwwerken, wat onder andere zichtbaar wordt in de bogengalerij en de ranke torentjes.

Leuk detail aan de Casa Vicens zijn de tegels waarmee de facade van de eerste twee verdiepingen bekleed is. Hierop prijken gele bloemen – afrikaantjes – waarmee het bouwterrein voor aanvang van het bouwen bezaaid waren. Deze moesten wijken voor het huis, maar werden als eerbetoon aan de verdwenen natuur verwerkt in de decoratie. Een aantal van deze tegels is in de tentoonstelling aanwezig, evenals een ijzeren palmblad, onderdeel van het hek van Casa Vicens.

Geglazuurde dakpannen, deuren met schitterend houtsnijwerk, prachtig vormgegeven luchtschachten en schoorstenen. Je kunt het zo gek niet bedenken of het is in deze tentoonstelling aanwezig. En natuurlijk ontbreekt een maquette van de Sagrada Familia niet.Op de muren prijken quotes van Antoni Gaudí: ‘Wie de wetten van de natuur gebruikt om zijn gebouwen te ondersteunen, werkt samen met de schepper.’ en ‘Niets is kunst dat niet uit de natuur komt’.

Echt duidelijk wordt het vergelijk met architectuur van de Amsterdamse School pas als je ook de vaste tentoonstelling op de eerste etage bezoekt: ook voor wie bekend is met deze bouwstijl is het heel aardig de geschiedenis – rijk geïllustreerd door objecten, foto’s, affiches en filmpjes – nog eens door te nemen. Bovendien wordt er van dinsdag tot en met zondag op ieder heel uur een rondleiding gegeven (inbegrepen in de toegangsprijs), die het publiek ook op plekken laat komen die anders niet toegankelijk zijn. Denk aan het oude postkantoor en de modelwoning, volledig vormgegeven en ingericht in de stijl van de Amsterdamse School.Bezoek je de tentoonstelling Gaudí en de Amsterdamse School met kinderen? Sla dan vooral de spannende animatie niet over waarin de draak, verscholen in Casa Battló, tot leven komt en bezoek ook de ruimte waarin je je met magnetische gekleurde steentjes je eigen mozaïek kunt maken (deze volwassene was er ook niet weg te slaan!).De bouw van de Sagrada Familia zal naar verluid nog nu nog acht jaar in beslag nemen. Als alles volgens de huidige planning verloopt, zal het in 2026 – precies honderd jaar na het overlijden van Gaudí – eindelijk voltooid zijn.

De tentoonstelling in Museum Het Schip duurt tot en met 31 maart 2019.Amsterdamse School Museum Het Schip
Oostzaanstraat 45
1013 WG Amsterdam

Het nieuwe Rembrandtjaar: 2019

Weinigen schoppen het zo ver dat alleen het noemen van hun voornaam voldoende is om te weten over wie we het hebben. Kunstschilder Rembrandt van Rijn (1606 – 1669) kreeg het voor elkaar. Over de hele wereld staat de naam ‘Rembrandt’ voor dé legende uit de Nederlandse kunstgeschiedenis.

In 2019 is het 350 jaar geleden dat Rembrandt van Rijn overleed. Reden om zijn werk en zijn invloed op de internationale schilderkunst te eren. Het hele jaar zullen in onder andere Den Haag, Leiden, Leeuwarden en Amsterdam activiteiten worden georganiseerd om het leven van Rembrandt te vieren.

In 2006 was de aanleiding van een eerder Rembrandtjaar het feit dat Rembrandt 400 jaar daarvoor werd geboren. Dat mocht gevierd worden! In het Rembrandtjaar 2019 zal de nadruk liggen op de manier waarop hij de schilderkunst veranderde en anderen inspireerde, waardoor zijn gedachtengoed tot op de dag van vandaag voortleeft.

In diverse musea zullen tentoonstellingen worden georganiseerd. En denk nou niet dat als je één van die tentoonstellingen hebt gezien dat je ze allemaal hebt gezien. Ieder museum zal zijn eigen spannende hoofdstuk uit het levensverhaal van Rembrandt vertellen. Voor het volgende kun je terecht op een andere locatie.

Er valt namelijk nogal wat over Rembrandt van Rijn te vertellen. Al vanaf het begin van zijn schilderscarrière wordt hij opgemerkt in de hogere kringen, en binnen de kortste keren is hij een van de populairste kunstenaars van zijn tijd. Medekunstenaars zijn diep onder de indruk van hem, en alle rijkelui willen zich door hem laten portretteren (de armelui waarschijnlijk ook wel, maar die kunnen het niet betalen).

Rembrandt leefde in de Gouden Eeuw. Maar wat was dat nu eigenlijk voor tijd? En wat voor mensen waren degenen die zijn werk kochten?

In het Fries Museum kun je al voordat het Rembrandtjaar echt van start gaat terecht om meer te weten te komen over Rembrandt en zijn tijd. (Vanaf 24 november tot en met 17 maart 2019) vormt Rembrandt en Saskia: Liefde in de Gouden Eeuw een prelude op het themajaar. Met Rembrandt en Saskia als uitgangspunt wordt getoond hoe het eraan toeging in een societyhuwelijk van de zeventiende eeuw. Huwelijksportretten, schetsen en persoonlijke voorwerpen laten zien hoe lief en leed werd gedeeld.

Ter gelegenheid van deze tentoonstelling keert een van de meest persoonlijke meesterwerken van Rembrandt van Rijn, Saskia en profil in kostbaar kostuum voor het eerst in ruim 250 jaar terug naar Nederland. Rembrandt voltooide dit portret kort na de dood van zijn vrouw in 1642.

Wie waren er nog meer belangrijk in het leven van Rembrandt? Bij wie kon hij terecht in tijden van nood? Wie waren zijn vrienden?

Dat ontdek je in Museum Het Rembrandthuis, tijdens de tentoonstelling Rembrandt’s Social Network (1 februari 2019 – 19 mei 2019. Hier komt uiteraard zijn jeugdvriend en medeschilder Jan Lievens voorbij, met wie hij in zijn jonge jaren een atelier deelde in Leiden. Ook is er aandacht voor zijn vriendschap met burgemeester Jan Six. En met apotheker Abraham Francen, die Rembrandt in zijn moeilijke laatste fase van zijn leven regelmatig bijstond op financiëel en juridische gebied.

Meer aandacht voor bevriende kunstenaars van Rembrandt is er in de tentoonstelling Jonge Rembrandt 1624 – 1634 (3 november 2019 – 9 februari 2020) in Museum de Lakenhal. In deze tentoonstelling worden de vroegste jaren uit de carrière van Rembrandt onder de loep genomen.

Ruim 40 schilderijen, 120 etsen en 20 tekeningen laten zien welke enorme ontwikkeling Rembrandt tijdens de eerste tien jaar van zijn kunstenaarschap doormaakte. Het is niet toevallig dat deze werken in Museum De Lakenhal te Leiden worden getoond. Nog geen kilometer verderop voltooide Rembrandt zijn eerste schilderijen. Zoals zijn Zelfportret, dat hij op 22-jarige leeftijd schilderde. Aan dit portret is goed te zien hoe Rembrandt experimenteerde met licht, dat hij langs zijn fijne krullen liet strijken. Het belangrijkste deel van het gezicht – de ogen – laat hij bijna wegvallen in het duister.

Zelfportret, Rembrandt. 1628
Zelfportret, Rembrandt. 1628. Rijksmuseum, Amsterdam

Een wel heel breed overzicht van het oeuvre van Rembrandt is van 15 februari tot en met 10 juni te zien in Het Rijksmuseum. Nooit eerder pakte dit museum uit met een tentoonstelling van alle werken van Rembrandt uit de collectie: 22 schilderijen, 60 tekeningen en 300 prenten. De tentoonstelling Alle Rembrandts moet een uitgebreid beeld geven van wat Rembrandt als kunstenaar én als mens bezighield.

Wat maakte het werk van Rembrandt nu zo anders dan anderen? Kenners beweren een echte Rembrandt met het blote oog te kunnen herkennen. Zoals we eerder dit jaar na de ontdekking van een Rembrandtportret door Jan Six (inderdaad: afstammeling van de bevriende burgemeester) hebben kunnen vernemen, kan dat een aardig zakcentje opleveren. Zouden wij zo’n meesterwerk ook kunnen herkennen?

Vind het uit in Het Mauritshuis, in de tentoonstelling Rembrandt en het Mauritshuis (31 januari 2019 – 15 september 2019). Hier zal de ontdekking van de Rembrandtschilderijen in de collectie worden besproken. Het publiek wordt uitgenodigd om zelf te kijken en te vergelijken. Het Mauritshuis organiseert in 2018 en 2019 nog twee andere tentoonstellingen rondom Rembrandt, te weten Beeldvorming over Johan Maurits (4 april 2019 – 7 juli 2019) en over één van Rembrandt’s leerlingen Nicolaesz Maes (7 oktober 2018 – 19 januari 2019).

Museum Het Rembrandthuis laat in Laboratorium Rembrandt (21 september 2019 – 16 februari 2020) zien op welke manier wetenschappers onderzoek doen naar de materialen die kunstenaars uit de tijd van Rembrandt gebruikten. De laatste jaren zijn er diverse nieuwe onderzoeksmethoden aan het licht gekomen. De onderzoekers delen middels deze tentoonstelling graag hun ervaringen.

Ook in Museum Het Rembrandthuis is van 7 juni 2019  tot en met 1 september de tentoonstelling  Inspired by Rembrandt te zien. Deze omvat een zeer diverse collectie werken van zowel lang- als kort geleden. Er is werk te zien van onder andere Edgar Degas, Pablo Picasso, Willem den Ouden en Glenn Brown.

In Het Rijksmuseum is van 11 oktober 2019 tot en met 19 januari 2020 de bijzondere tentoonstelling Rembrandt – Velásquez te zien. Schilderijen van Velázquez, Rembrandt, Murillo, Vermeer, Zurbarán, Hals en Ribera komen voor het eerst samen dankzij een samenwerking tussen het Museo del Prado in Madrid en Het Rijksmuseum. De Spaanse en Nederlandse meesterwerken zullen in paren worden gepresenteerd zodat ze met elkaar in dialoog gaan.

Zoals inmiddels duidelijk zal zijn: er is geen reden tot verveling tijdens het komende Rembrandtjaar. Ongetwijfeld zal ik nog apart op de diverse tentoonstellingen terugkomen. Die Museumjaarkaart zal zijn geld wel weer dubbel en dwars opbrengen!

Meer informatie kun je verkrijgen via deze link.

Museumtips voor het Paasweekend

Komend weekend is het pasen. En omdat de lentetemperaturen nog even op zich laten wachten, is dat natuurlijk een mooie gelegenheid voor een (overdekt) cultureel uitje. De meeste musea die normaal op maandag zijn gesloten, openen op tweede paasdag hun deuren. 

Hendrik de Vrome en Katharina van Mecklenburg, Lucas Cranach
Hendrik de Vrome en Katharina van Mecklenburg, Lucas Cranach

Het Rijksmuseum in Amsterdam organiseert op 1 april een speciale familiedag met diverse gratis activiteiten zoals paaseieren zoeken in de prachtige museumtuin een quiz en een paascabaret. Je kunt ook met de hele familie de verkleedkist in duiken en daarna op de foto!

En als je dan toch in het Rijksmuseum bent, bezoek je natuurlijk ook de tentoonstelling High Society

Wie in Japanse sferen wil komen, bezoekt de tentoonstelling Mesdag & Japan. Het verre Oosten verzameld bij de Mesdag Collectie in Den Haag (niet te verwarren met Panorama Mesdag) en reist daarna uiteraard door naar Amsterdam voor de tentoonstelling Van Gogh & Japan die in het Van Gogh Museum kan worden bewonderd. Vooraf reserveren is hier aan te raden.

In de Nieuwe Kerk in Amsterdam kan nog tot en met 8 april worden getuurd in de Gazing Ball van Jeff Koons. Heel lang zul je hier waarschijnlijk niet doorbrengen, dus steek daarna het Damrak over om in de Beurs van Berlage de unieke tentoonstelling My name is Prince te bezoeken. Voor heel even kun je de in 2016 overleden superster weer levend wanen, en bovendien heel dichtbij laten komen. Wist je dat je met een VIP-ticket één van zijn gitaren mag vasthouden? Neem in je wandeling door het stadscentrum tot slot even het FOAM mee, waar de prachtige foto-tentoonstelling Human Nature nog steeds te zien is. 

Museum Catharijne Convent LINK in Utrecht organiseert ook een aantal bijzondere paasactiviteiten. Op het moment is daar de tentoonstelling Magische Miniaturen te zien, en tijdens het paasweekend kan iedereen van 8 jaar en ouder in het museum zelf een miniatuur maken. Ook zijn er bloemenwandelingen langs diverse schilderijen en miniaturen. Tijdens deze wandelingen leer je over de betekenis van op de kunstwerken afgebeelde bloemen. 

En als je dan toch in Utrecht bent is het misschien leuk om ook nog even het musea Van Speelklok tot Pierement te bezoeken, waar nog tot en met 8 april de tentoonstelling Vieze liedjes op deftige speelklokken is te zien. 

In De Kunsthal Rotterdam kan worden gereserveerd voor een paasbrunch . Daarna kun je gaan kijken naar de tentoonstelling Hyperrealisme Sculptuur die onlangs is geopend. 

Wie geen genoeg kan krijgen van realisme kan in het Drents Museum nog steeds de tentoonstelling The American Dream bezoeken. 

Ook in het oosten van het land tref je het Groninger Museum, waar tijdens de paasdagen een ei ontworpen kan worden. Ook is daar nog steeds de tentoonstelling De Romantiek in het Noorden – van Friedrich tot Turner te zien. 

Een heel fijn weekend!

Tentoonstelling: Hyperrealisme Sculptuur, Kunsthal Rotterdam

In 2017 werd in Kunsthal Rotterdam de tentoonstelling Hyperrealisme, 50 jaar schilderkunst gehouden. Als vervolg hierop organiseert het museum dit jaar ‘Hyperrealisme Sculptuur’, een tentoonstelling waarbinnen levensechte beelden uit de afgelopen vijftig jaar centraal staan. 

In de tentoonstelling zijn sculpturen van 26 verschillende kunstenaars vanuit de hele wereld te zien, die het thema allemaal op hun eigen manier benaderen. 

In het begin van de 20e eeuw was de gemiddelde kunstenaar er niet op uit om zijn omgeving naturalistisch weer te geven. In tegendeel: hij verzette zich tegen de academische normen en ging op zoek naar een nieuwe, vrijere vormentaal waarbinnen hij zijn gevoel kon laten spreken. Aan het einde van de vijftiger jaren van de vorige eeuw keren kunstenaars terug naar de realistische weergave van de mens in de kunst. In tegenstelling tot vroegere kunststromingen waarbinnen het perfect weergeven van de mens vooral een esthetische functie had, wil de kunstenaar van nu met zijn sculpturen vaak een verhaal vertellen: over identiteit, individualiteit, kwetsbaarheid of over het keurslijf van alle dag waarin de gewone man gevangen zit. Niet in alle gevallen overigens: een aantal kunstenaars (John DeAndrea, Don Brown) haalt inspiratie uit de perfecte weergave van het menselijk lichaam in de tijd van de oude Grieken en Romeinen. 

Afgelopen woensdag bezochten mijn collega’s en ik de tentoonstelling met 45 leerlingen uit de bovenbouw, allemaal met een kunstvak in het profiel. Geoefende kunstkijkers dus, waarmee het leuk discussiëren is over hoe ze de kunstwerken ervaren.  

Het verschil in vormgeving tussen de sculpturen ondersteunt de uiteenlopende betekenis. Zo zijn er beelden die niet van echt te onderscheiden zijn zoals de werken van Duane Hanson. Het is herhaaldelijk voorgekomen dat een door hem gemaakt beeld dat op een tentoonstelling stond werd aangestoten). Dit waren niet de beelden die mijn leerlingen en mij het meeste aanspraken. Tuurlijk: we vonden ze ontzettend knap gemaakt, maar hyperrealistisch is ook heel gewoon. Net zo gewoon als de strak gekapte medebezoeker die op een gegeven moment werd aangezien voor sculptuur. 

Overigens maakt het wel een verschil in welke hoedanigheid de extreem realistische werken zich bevinden. Beelden die ‘bezig zijn’ met alledaagse handelingen maken wat mij betreft minder indruk dan beelden die ons een inkijkje geven in hun intieme leven, en dan doel ik niet zozeer op de wijdbeens zittende dames van Paul McCarthy maar eerder op het innig verstrengelde stel op leeftijd, Embrace, van Marc Sijan. Het werk van McCarthy trok overigens bovenmatig veel aandacht van mannelijke zestigplussers, die te bijziend leken om het bordje met fotografieverbod op te merken.

Er is ook werk te zien dat buitenaards vreemd van vorm is zoals het vervormde hoofd van Margriet Breevoort. Zij uit hiermee haar zorgen over de toekomst van de mensheid. “Ronduit griezelig”, aldus mijn leerlingen. Ik denk dat Breevoort hiermee geslaagd is in haar opzet: de mensheid gaat er, ook kwa uiterlijk, in haar doemscenario bepaald niet op vooruit!

Een aantal beelden is enorm groot en duwt de details ‘in your face’, zoals de vijf meter lange baby A Girl van Ron Mueck. Deze uit de kluiten gewassen zuigeling ligt in het midden van de tentoonstelling. Als het al niet door haar omvang was, valt ze hierdoor niet te missen. 

Opvallend was dat vooral de vrouwelijke bezoekers het een ‘enge baby’ vonden. Mogelijk speelt de gedachte dat zij ooit een dergelijke reuzin zouden moeten baren hierin een rol. Mijn leerlingen vonden de bloedresten op het kind ‘goor’ en de man in ons gezelschap vond haar aandoenlijk!

Andere sculpturen zijn juist klein van formaat, waardoor de aanschouwer zich moet inspannen om alle details op te merken. De beeldjes van Don Brown zijn hier een goed voorbeeld van. Ook de knielende vrouw van Sam Jinks, wat betreft vormgeving levensecht, maar klein van formaat, nodigt uit om zeer aandachtig te bekijken. Mijn leerlingen waren er niet bij weg te slaan. 

Sommige beelden beelden lijken wat betreft vorm wel heel echt, maar zijn van een materiaal gemaakt waardoor ze niet menselijk overkomen, zoals de wit gipsen beelden van George Segal. Een enkele keer zijn slechts ledematen weergegeven zoals bij het werk van Maurizio Cattelan. Je zult constateren dat verhaal dat verteld wordt door één enkel lichaamsdeel of een paar losse lichaamsdelen zeer indringend kan zijn. 

De publiekslievelingen van deze tentoonstelling zijn zonder meer Woman and Child, ook door Sam Jinks. Een oude vrouw, met de ogen gesloten, houdt een pasgeboren baby vast. Met minutieuze gedetailleerdheid heeft Jinks in dit iets kleiner dan levensgrote beeld vergankelijkheid weten uit te drukken. Dat het beeld indruk maakt blijkt uit de rij bezoekers die het op foto willen vastleggen. 

“Is deze tentoonstelling niet gewoon een alternatieve versie van Madame Tussaud?”, vroeg iemand mij. Zeker niet. Realisme zit hem niet alleen in een extreem naturalistische weergave van de werkelijkheid, maar kan ook worden uitgedrukt door de inhoud van een werk, of de weergave van het karakter van degene die wordt afgebeeld. Dat wordt binnen deze tentoonstelling heel goed duidelijk. Verder zijn de beelden van Madame Tussaud vrijwel allemaal van was gemaakt. In Hyperrealisme Sculptuur is een verscheidenheid aan materialen en technieken te zien. Soms is een beeld een afgietsel, in andere gevallen zijn er vele voorstudies in klei aan voorafgegaan. Er is andere andere gebruik gemaakt van gips, acryl, hars, siliconen, hout, papier maché, polyurethaan en mensenhaar, wat ieder werk een eigen karakter geeft. 

Soms zal het zijn alsof je in de spiegel kijkt, op een ander moment zal een beeld je een vervreemdend gevoel geven of zelfs choqueren. Soms zul je je vereerd voelen dat je zo dicht op een tafereel mag komen, soms zul je je een voyeur voelen. De tentoonstelling zal je confronteren met hoe je naar jezelf en naar anderen kijkt en dat de manier waarop we naar  lichamen kijken continu verandert. In een tijd waarin we omgeven worden door selfies is dit een interessant gegeven.

Bij deze tentoonstelling is een catalogus verschenen, uitgegeven door Uitgeverij Waanders & De Kunst. Deze is te koop voor € 24,95. ISBN: 978-94-6262-181-7

Hyperrealisme Sculptuur
Tot en met 1 juli 2018
Kunsthal Rotterdam
Museumpark, Westzeedijk 341
3015 AA Rotterdam

Tentoonstelling: Van Gogh & Japan in het Van Gogh Museum

Vanaf 23 maart is in Het Van Gogh Museum de tentoonstelling Van Gogh & Japan te zien. Nadat Saporo, Tokio, en Kyoto zijn aangedaan, is het nu tijd om neer te strijken in Amsterdam. 

Vincent van Gogh liet zich graag inspireren door andere kunstenaars. Leergierig als hij was bezocht hij met regelmaat musea en ateliers van collega’s. Aan zijn werk valt vaak af te lezen met wiens werk hij in contact was geweest. Zijn krachtige handschrift blijft ondanks alle invloeden steeds zichtbaar, ook wanneer hij zijn meest invloedrijke bron van inspiratie heeft aangeboord. 

Tijdens zijn verblijf in Parijs (1886-1888) kwam Vincent van Gogh in aanraking met de Japanse kleurenhoutsneden. Deze prenten werden in grote getale aangeboden in Europa. Hier heerste in de 19e eeuw namelijk een ware Japan-rage, en artikelen afkomstig uit Japan vonden gretig aftrek, onder andere bij kunstenaars. Wie het zich kon veroorloven schafte keramiek en lakwerk aan, wie minder te besteden had kon zich doorgaans wel de prenten veroorloven, die relatief goedkoop waren. Van Gogh schafte er 660 aan, met als onderwerpen onder andere dames in kimono, landschappen en Japanse acteurs.

Kort daarna werd een enorme invloed van de Japanse prentkunst op zijn werk zichtbaar. Zijn liefde voor Japan zou vanaf dat moment nooit meer verdwijnen.

Katsushika Hokusai, Onder de golf bij Kanagawa, 1829-1833
Katsushika Hokusai, Onder de golf bij Kanagawa, 1829-1833, Rijksmuseum, Amsterdam

In Van Gogh & Japan is te zien hoe de invloed van Japanse kunst op het werk van Vincent van Gogh in de loop der jaren steeds sterker werd. 

Axel Rüger, directeur Van Gogh Museum: “We proberen de bezoekers in deze tentoonstelling te laten kijken met de ogen van Vincent van Gogh. Ook zou het mooi zijn als het hen lukt om een beetje op Japans te leren kijken”.

Dat is wat ook Van Gogh graag wilde: op z’n Japans kijken. In de tentoonstelling hangt het werk van Van Gogh naast Japanse prenten, zodat goed is te zien op welke wijze hij zich liet inspireren. Zelf schreef hij hierover in een brief aan zijn broek Theo: “Ik benijd de Japanners om die enorme helderheid die alle dingen bij hen hebben. Hun werk is even gemakkelijk als ademhalen en zij maken een figuur in enkele trefzekere lijnen met hetzelfde gemak, alsof het even simpel is als het dichtknopen van je vest”.

Een van de favoriete prenten van Vincent van Gogh was de onderstaande crépon (een prent op stof) in felle kleuren. Temidden van bloeiende natuur is een aantal zorgeloze vrolijke dames afgebeeld. Dit is hoe Van Gogh Japan voor zich zag: exotisch en ongedwongen. Bovendien zag hij in de afgebeld dames meisjes met een vrije seksuele moraal. De afgebeelde kraanvogels stonden in Frankrijk voor prostitutie. Dat dat in Japan niet het geval was kwam niet in hem op. In zijn Courtisane (1887) kopieert hij deze kraanvogels dan ook in de omlijsting van de vrouw, waarmee hij zinspeelt op haar beroep. 

De Japanse kunst maakte Van Gogh gelukkig. Hij waardeerde de composities, grote kleurvlakken, details in de natuur, en de scherp omlijnde vormen. Vooral de helderheid van de Japanse vormgeving trok hem aan. Conservator Nienke Bakker: “Vincent van Gogh ging nadrukkelijke vormen en heldere kleuren schilderen, wat zijn werk naar een hoger plan tilde. Er ontstond een nieuw soort kunst”

In De Arlésienne (1888) is goed zichtbaar hoe Van Gogh gebruik heeft gemaakt van grote kleurvlakken heeft en de vormen heeft omlijnd met sterke contouren. 

Vincent van Gogh, De Arlésienne (Marie Ginoux), 1888
Vincent van Gogh, De Arlésienne (Marie Ginoux), 1888 The Metropolitan Museum of Art, New York, legaat van Sam A. Lewisohn, 1951

Een aantal Japans georiënteerde werken van Vincent Van Gogh, zoals zijn Brug in de regen, naar Hiroshe (1887) lijkt haast een één-op-één kopie van het origineel, maar dit moet slechts worden gezien als een oefening. Simpelweg kopiëren van wat hij op zijn Japanse prenten zag is nooit zijn artistieke intentie geweest. Van Gogh was in staat één enkel overheersend beeldelement in zich op te nemen en te vertalen naar iets nieuws. 

Brug in de regen, naar Hiroshe (1887).
Brug in de regen, naar Hiroshe (1887). Van Gogh Museum, Amsterdam (Vincent van Gogh Stichting)

Neem het schilderij La Crau met bloeiende perzikbomen (1889). In een lezing die ik in januari bezocht gaf Louis van Tilborgh, Sr. onderzoeker van het Vincent van Gogh Museum en medeconservator van de tentoonstelling aan: “Men heeft bekeken op welke plek Vincent van Gogh gezeten moet hebben om dit te kunnen schilderen en kwam erachter dat er daar geen plek is van waaruit hij een dergelijk hoog standpunt kon innemen”. Wat betreft standpunt vertoont het sterke overeenkomsten met Fuji vanaf de Katakura theeplantage in de provincie Suruga, door Katsushika Hokusai. Vincent van Gogh kreeg het voor elkaar om, geïnspireerd door dit perspectief, zijn werkelijke uitzicht in zijn hoofd om te zetten. 

Vincent van Gogh, La Crau met bloeiende perzikbomen, 1889
Vincent van Gogh, La Crau met bloeiende perzikbomen, 1889, The Samuel Courtauld Trust, The Courtauld Gallery, London
Katsushika Hokusai, Fuji vanaf de Katakura theeplantage in de provincie Suruga, 1831-1835
Katsushika Hokusai, Fuji vanaf de Katakura theeplantage in de provincie Suruga, 1831-1835, Rijksmuseum, Amsterdam, aankoop uit het F.G. Waller-Fonds

Ondanks zijn enorme liefde voor Japan, bezocht Van Gogh het land nooit. Hij trok naar het zuiden van Frankrijk en vond in het plaatste Arles zijn eigen versie van Japan. De helderheid van het licht, de weidsheid van het landschap… Hij vond hier de focus om naar eigen zeggen “te werken als een Japanse kunstenaar”. Aan zijn broer Theo schrijft hij: “Ik ben ervan overtuigd dat mijn persoonlijkheid echt naar boven zal komen door een langduriger verblijf hier. Japanners schilderen snel, heel snel, als in een lichtflits. Omdat hun gevoelens simpelere en fijnzinniger zijn. Ik ben hier pas een paar maanden, maar – zeg eens, zou ik in Parijs deze boten binnen een uur tijd hebben kunnen schilderen?”.

Vissersboten op het strand van Les Saintes-Maries-de-la-Mer (1888)
Vissersboten op het strand van Les Saintes-Maries-de-la-Mer (1888). Van Gogh Museum, Amsterdam (Vincent van Gogh Stichting)

Ook uit bovenstaand brieffragment blijkt dat Van Gogh geen kopiist was. Hij wilde zich inleven in de werkwijze van de Japanse kunstenaar en wat daaruit voortkwam verwerken in zijn eigen kunst. Hij was immers een gevoelsmens, vatbaar voor emoties van anderen, en extreem bedreven in het visueel uiten van zijn innerlijke leefwereld. Niet voor niets zou hij later blijken hét voorbeeld te zijn voor de expressionisten van de twintigste eeuw. Nienke Bakker: “Vincent van Gogh wist de Japanse esthetiek in zijn werk te vertalen. Hij voelde een zielsverwantschap met Japanse kunstenaars, die Japanners van nu op hun beurt ook voelen met Van Gogh”. 

Het schilderij Vissersboten op het strand van Les Saintes-Maries-de-la-Mer (1888) beschouwde Vincent van Gogh als één van zijn meest Japanse werken. 

Veel van het werk van van Gogh is in de loop der jaren in diverse collecties, verspreid over de hele wereld terechtgekomen. Dankzij de medewerking van hun eigenaren kon Van Gogh & Japan tot een zeldzame reünie worden. 

Een van de meest bijzondere bruiklenen is het Zelfportret uit het Fogg Art Museum, Harvard Art Museums, Cambridge, VS. Het leven als Japanse monnik zag Van Gogh als één van de hogere levensidealen en daarom beeldde hij zichzelf op die manier af. Hij schilderde dit schilderij in 1888 voor zijn goede vriend, de schilder Gauguin en stuurde het naar hem op. Wie goed naar het werk kijkt ziet dat onder de bovenste verflagen de zin ‘Pour mon ami Gauguin’ staat geschreven. Het werk is wordt in principe niet uitgeleend, maar voor deze tentoonstelling is een uitzondering gemaakt. 

Ook de aanwezigheid van het Zelfportret met verbonden oor (1889) is een unicum. Dit schilderij, dat in het bezit is van de Courtauld Gallery in Londen is sinds 1955 Engeland niet meer uit geweest. Vincent maakte dit schilderij net nadat hij uit het ziekenhuis was ontslagen. Hij was opgenomen geweest na het afsnijden van een deel van zijn oor. Op de achtergrond heeft hij een Japanse prent geschilderd. Ondanks zijn geestesziekte was zijn liefde voor de Japanse kunst onveranderd gebleven. 

Een aantal van de werken in de tentoonstelling is sinds de verkoop uit de familiecollectie nog nooit in Nederland te zien geweest sinds de verkoop uit familiecollectie, zoals de eerder genoemde La Crau met bloeiende perzikbomen (1889).

Van de 660 Japanse prenten die Vincent Van Gogh destijds kocht, maken er vandaag de dag nog zo’n 500 deel uit van de collectie van het Van Gogh Museum. Naast de tekeningen en schilderijen van Van Gogh staat een belangrijk deel van deze prenten tijdens deze tentoonstelling in de spotlights. Door deze temidden van zijn werk op te stellen, kan worden ervaren op welke manier hij zich liet inspireren. 

Loop na het bewonderen van het werk van Vincent van Gogh vooral even door naar de bovenste etage, alwaar een grote hoeveelheid Japanse prenten uit de collectie van het museum is te zien. 

De tentoonstelling Van Gogh & Japan is bijzonder, prachtig en leerzaam. Ze laat zien ons hoe groot de bewondering van Vincent van Gogh voor Japanse kunst was, en hoe belangrijk de Japanse invloed op zijn werk is geweest. Met de vele navolgers die Van Gogh op zijn beurt weer heeft gehad, kunnen we zelfs stellen dat Japanse prenten in brede zin een belangrijk stempel hebben gedrukt op de beeldende kunst van de 20e eeuw. 

Er worden veel bezoekers verwacht. Vooraf boeken via de website van Het Van Gogh Museum is aan te raden.

Bij de tentoonstelling is een bijzonder mooi geïllustreerde catalogus verschenen. Te koop voor € 29,95 (ISBN 978-94-6230-218-1). Zo kun je na afloop van je bezoek volop nagenieten.

Van Gogh & Japan
Tot en met 24 juni 2018
Van Gogh Museum
Museumplein 6
Amsterdam

Opening van ‘Van Gogh & Japan’ door Koning Willem Alexander (met video).

Op 22 maart jongstleden werd de tentoonstelling ‘Van Gogh & Japan’ officieel geopend door Koning Willem Alexander. Ooit cultureel bijgeschoold door kunsthistoricus en oud-directeur van Het Rijksmuseum, viel te verwachten dat hij niet slechts langs zou komen om een lintje door te knippen, maar dat hij oprechte interesse in de tentoonstelling zou tonen.

Aankomst bij het Van Gogh Museum.
Foto: Joëlle Snijders

De openingsplechtigheid bestond uit een aantal toespraken, een optreden van de in Japan uiterst populaire Wouter Hamel, een voorproefje van de Nederlandstalige opera Dejima en een traditioneel Japanse ceremonie waarbij door meerdere personen tegelijk, waaronder de Koning, lintjes werden doorgeknipt.

Overhandiging van de eerste tentoonstellingscatalogus.
Foto: Joëlle Snijders

Vervolgens kon van een afstand worden vastgelegd hoe Koning Willem Alexander en de ambassadeur van Japan een rondleiding kregen van directeur Alex Rüger. 

Over de achtergrond van het schilderij de Wiegster merkte Willem Alexander op dat dat “het schilderij met de Matisse-achtergrond” is. Onze Koning heeft goed opgelet bij meneer van Os. Matisse heeft zich inderdaad laten inspireren door het de decoratieve manier van Vincent van Gogh, die zich op zijn beurt weer liet inspireren door de Japanse prentkunst. 

Graag had ik meer meegekregen van de rondleiding en de reacties van ‘Willie’ natuurlijk. Maarja: media op afstand. Dat is ook de reden voor de wat wiebelige beelden, die voortkomen uit zo ver mogelijk inzoomen zonder statief. Excuses daarvoor. 

Veel plezier met het filmpje en mocht je het wat saai vinden: bedenk er dan vooral een ‘Lucky TV’ voice over bij. 

Later vandaag verschijnt mijn uitgebreide blog over de – ontzettend mooie en interessante – tentoonstelling.

Fotografie Joëlle Snijders - joellesnijders.nl

Tentoonstelling: High Society in het Rijksmuseum

Op de dag dat ik de tentoonstelling High Society aanvankelijk wil bezoeken moet het Rijksmuseum haar deuren sluiten vanwege een stroomstoring. Gelukkig woon ik in de buurt en kan ik de volgende dag een nieuwe poging wagen, maar wat een sof: op de tweede dag van zo’n grootse tentoonstelling het toegestroomde publiek moeten wegsturen!

Reeds aangeschafte kaartjes van die dag (9 maart) blijven geldig voor een later bezoek, dus reis vooral opnieuw af naar het Museumplein, ook als je vanuit de andere kant van het land moet komen. Je zult er geen spijt van krijgen!

Op de tentoonstelling zijn 39 levensgrote ‘ten voeten uit’ portretten te zien. Het schilderen van zo’n portret is niet makkelijk, en gold dan ook eeuwenlang als een belangrijke proeve van bekwaamheid voor portrettisten. 

De naam High Society slaat op degenen die op de portretten worden afgebeeld. Het betreft hier de Bobo’s van weleer: mensen met geld en status. Deze status benadrukten zij door zichzelf op deze wijze te laten afbeelden: dan stelde je écht iemand voor!

De aanwezigen die mij het meest opvielen zal ik hier aan je voorstellen. De rest ontmoet je wanneer je zelf langs gaat op het feestje van Marten en Oopjen. 

De schilderijen komen uit verschillende stijlperioden. De populariteit van de mansgrote portretten was geen oprisping: op de tentoonstelling zijn portretten daterend van 1514 tot het begin van de vorige eeuw aanwezig. Ze zijn als gasten op een feestje bijeengebracht ter ere van de terugkeer van Marten Soolmans en Oopjen Coppit, het beroemde koppel geschilderd door Rembrandt. De afgelopen anderhalf jaar verbleven zij voor onderhoud in het restauratie-atelier van het Rijksmuseum.

Hendrik de Vrome en Katharina van Mecklenburg, Lucas Cranach
Hendrik de Vrome en Katharina van Mecklenburg, Lucas Cranach

De twee oudste portretten zijn die van het koppel Hendrik de Vrome en Katharina van Mecklenburg, in 1514 geschilderd door Lucas Cranach I. De twee dragen peperdure huwelijkskledij. Bianca du Mortier, conservator kostuum van het Rijksmuseum in het radioprogramma Opium: “Het kostuum van Hendrik is een beetje vergelijkbaar met die enorm dure spijkerbroeken waar met opzet scheuren in zijn gemaakt. Ook in dit huwelijkskostuum zijn met behulp van een heet mes inkepingen gemaakt. Dit noemde men ‘hakkelen’ en was in die tijd uitermate populair!” Het paar is behangen met sieraden. In één van de kettingen van Catharina staan de initialen ‘HK’, van Hendrik en Katharina, aan een ketting van Hendrik hangt een hanger met twee handen ineengeslagen om een hart. Op beide portretten is een hond afgebeeld, symbool voor huwelijkse trouw. Op het lijfje van de jurk van Katharina is de letter ‘M’ herhaaldelijk, in een patroon geborduurd, vermoedelijk als verwijzing naar haar familienaam. 

De portretten werden ooit op panelen geschilderd, en hierdoor uiterst gevoelig voor de tand des tijds. Daarom zijn ze overgezet op canvas. Dat dat mogelijk is wist ik ook niet, maar dat kan dus, met behulp van een ingewikkeld en griezelig proces

Uit dezelfde periode komt het portret van de machtige Keizer Karel V (1532), door Jacob Siesenegger. Karel draagt een bijzonder kledingstuk, dat ook Matthijs van Nieuwkerk in De wereld draait door leek te fascineren

Het betreft een eivormige tok, de zogenaamde braguette. Dit was een schaamkapsel, dat was afgeleid van het ridderharnas. Dit ontstond uit praktische overwegingen: mannen droegen alleen maar losse pijpen, geen hele broek. Op deze manier konden zij hun edele delen toch aankleden. In het radioprogramma Opium vertelt Bianca du Mortier, conservator kostuum van het Rijksmuseum: “Soms zat er nog een zakje aan de buitenkant van de braguette (autocorrect maakt er steeds ‘baguette’ van). Hierin kon men zakdoekjes of versnaperingen zoals een mandarijntje bewaren.” De braguette kon versierd zijn met borduursels en edelstenen. Hoe uitbundiger, hoe vruchtbaarder, dat wilde de drager althans uitstralen.

Karel V zette met dit portret de norm voor toekomstige staatsieportretten. Vanaf dat moment werden deze allemaal ten voeten uit geschilderd of gefotografeerd. 

De kleding van de invloedrijken der aarde is in de loop der eeuwen stukken minder uitbundig geworden. Hier en daar waagt een popster zich aan extreme outfits, maar ik kan me geen hooggeplaatst persoon voorstellen dat zich zou laten afbeelden als Kapitein Thomas Lee, in 1594 geschilderd door Marcus Gheeraerts. Lee was huurling in het Engelse koloniale leger van koningin Elisabeth I in Ierland, in dienst om de Katholieken in toom te houden. Dat hij zelf ook katholiek was hield hij uiteraard verborgen.

Kapitein Thomas Lee door Marcus Gheeraerts

Het eerste wat opvalt is zijn enorme decolleté. Verder draagt hij geen broek, wat op zijn minst opmerkelijk is te noemen. Het is een eerbetoon aan de straatarme Ierse voetsoldaten die blootsvoets het gevecht moesten aangaan. In die zin valt het schilderij te interpreteren als aanklacht. De Latijnse inscriptie op de bladeren van de boom refereert aan een quote van Livius die vrij vertaald ‘Doen en moedig standhouden’ betekent. Dit slaat op een verhaal over de Romeinse soldaat Scaevola, die infiltreerde in het Etruskische leger en toen hij werd gepakt zijn hand in het vuur stak om zijn moed te tonen. De gelijkenis tussen Sceavola en Thomas Lee wordt benadrukt door Lee’s verminkte hand, die er treurig bijhangt. 

Maurits, prins van Oranje, rond 1615 geschilderd door Michiel van Mierenvelt draagt een verguld harnas. Net als veel van de andere portretten in de tentoonstelling is hier de stofuitdrukking waanzinnig. Stofuitdrukking is de manier waarop een schilder een bepaald materiaal met verf op het doek nabootst. Prins Maurits is meerdere keren door van Mierenvelt geportretteerd. Uit recent onderzoek is gebleken dat Van Mierenvelt voor portretten die vaak moesten worden herhaald, gebruik maakte van geperforeerde tekeningen van het hoofd. Door hier met een kwast met grafiet overheen te strijken, kwamen de contouren dan op het doek te staan.

Maurits, prins van Oranje door Michiel van Mierenvelt
Maurits, prins van Oranje door Michiel van Mierenvelt

Veronese en van Mielich schilderden in ongeveer dezelfde periode een koppel. Veronese schilderde graaf Iseppo da Porto met zijn zoontje en gravin Livia da Porto Thiene met haar dochter en van Mielich schilderde Hertog Albrecht V van Beieren en Anna van Oostenrijk, De koppels hangen naast elkaar in één van de zalen en laten goed het verschil in de vaardigheid van het weergeven van de anatomie weer. Niet alleen de manier waarop de menselijke anatomie is geschilderd loopt uiteen. Beide vrouwen dragen een marter met een gouden masker, in de zestiende eeuw een talisman voor zwangere vrouwen. Het beestje van Veronese blinkt uit. 

Voor de portretten van de publiekstrekkers Marten en Oopjen is het druk. Mensen drommen samen om een glimp op te vangen van het mooi gerestaureerde stel. Terecht. Het zijn wonderschone portretten die na de opknapbeurt nog beter tot hun recht komen. De verschillende nuances zwart in de kleding zijn goed zichtbaar, zo zien we duidelijk de stippen op de jurk van Oopjen. 

Bianca du Mortier: “Het is nog steeds heel bijzonder dat ze hier zijn. Tot een paar jaren geleden waren ze in privébezit van een familie in Parijs. Ze hingen in de slaapkamer.”

Luisa Casati trekt ook als geschilderde gedaante direct de aandacht, precies zoals zij ooit in levende lijve deed. Giovanni Boldini schilderde deze extravagante vrouw in 1908.

Luisa Casati door Giovanni Boldini
Luisa Casati door Giovanni Boldini

Deze markiezin leidde een zeer uitbundig leven. Ze was de meest bekende celebrity van het begin van de 20e eeuw. Ze zag zichzelf als een kunstwerk en droeg levende slangen als juwelen. Haar haren verfde ze in extreme kleuren en in haar jurken verwerkte ze pauwenveren en brandende gloeilampen. Regelmatig ging ze aan de wandel met twee aangelijnde luipaarden. Ook reed ze in een gouden koets, vergezeld door naakte dienstbodes. Ze gaf regelmatig feesten waar de drank rijkelijk vloeide en de cocaïne in all-you-can-sniff hoeveelheden aanwezig was. Ze gaf geld uit als water waardoor ze bankroet eindigde en stierf in eenzaamheid. 

Boldini heeft er alles aan gedaan om Luisa zo flamboyant mogelijk weer te geven. Zijn wilde verftoets raast als een wervelwind over het doek, in een poging haar wilde en onvoorspelbare leven in één beeld te vangen. Haar ogen zijn donker omlijnd met kohlpotlood, maar wie er goed inkijkt, ziet wat er schuil gaat achter haar uitbundigheid. 

Walther Rathenau door Edvard Munch
Walther Rathenau door Edvard Munch

Edvard Munch kennen we natuurlijk allemaal van De Schreeuw, het kronkelende landschapsschilderij waar het onheilspellende vanaf spat. Hoe anders is het portret van zakenman en politicus Walther Rathenau, dat hij in 1907 schilderde. Het is een statig portret, waarvan Munch twee versies heeft gemaakt. De kenmerkende golvende lijnen heeft Munch niet helemaal achterwege gelaten. In de achtergrond, de stropdas en een heel klein beetje in het jasje heeft hij ze subtiel een plek gegeven. Munch gebruikte voor dit schilderij maar weinig verf, Rathenau is in dunne lagen opgezet. Mooi om even te vergelijken met het pastels opgezette portret van Anna, gravin van Noailles, in 1931 geschilderd door Kees van Dongen. Ze hangt recht tegenover Rathenau. In grove verfstreken heeft van Dongen met dikke klodders verf de essentie van deze grand dame weten te vangen. Het portret stuitte aanvankelijk op weerstand, door het enorme decolleté. Het voetje dat subtiel onder de jurk van Anna uitpiept is misschien nog wel uitdagender…

Het voetje van Anna door Kees van Dongen
Het voetje van Anna door Kees van Dongen

Vergeet vooral de knappe Dokter Pozzi niet te groeten voordat je de laatste zaal met portretten verlaat. Pozzi was gynaecoloog en werd door zijn patiënten onweerstaanbaar gevonden. Hij had onder zijn clientèle dan ook meerdere minnaressen. Door één van hen, actrice Sarah Bernard, werd hij Dr. Dieu genoemd. John Singer Sargent schilderde zijn opvallende portret in 1881.

Bij High Society hoort een toegift. Deze bestaat uit High Society Uncut, een verzameling prenten waarop de guilty pleasures van de elite zijn afgebeeld. 

Kijk maar eens goed naar het Valsspelende paar bij het kaarten, waarop nogal opzichtig is te zien hoe een onnozel slachtoffer tijdens een spelletje kaarten een loer wordt gedraaid.

Prins Eugenius van Savoye,e rond 1725 door Cornelis Troost
Prins Eugenius van Savoye,e rond 1725 door Cornelis Troost

Of naar Prins Eugenius van Savoye, rond 1725 door Cornelis Troost werd vastgelegd. De prins zit rechts op een stoel en grijnst. Hij geniet zichtbaar van de halfnaakte prostituees die door een bordeel paraderen. Links in beeld is te zien hoe Madame Traese, de eigenaresse van het sjieke bordeel aan de Prinsengracht één van de prostituees helpt met het optrekken van haar jurk.

Er is een apart kabinet met – je bent gewaarschuwd – expliciete afbeeldingen, die vaak door anonieme graveurs zijn gemaakt. Ze wilden hun reputatie niet op het spel zetten. Wat er exact op deze afbeeldingen te zien is moet je zelf maar gaan bekijken!

De tentoonstelling nodigt uit om een tweede rondje te maken. Let dan eens op het verschil tussen de losjes geschilderde schilderijen uit het begin van de twintigste eeuw die je als laatste zag en de vroegste schilderijen die ik aan het begin van dit blog besprak. 

High Society spreekt tot de verbeelding van velen. Weekblad Privé wijdde een speciale editie aan de tentoonstelling almede Harper’s Bazaar. Koefnoen maakte in samenwerking met het Rijksmuseum een komisch promotiefilmpje. 

In de museumwinkel zijn de gebruikelijke ansichtkaarten en koelkastmagneten te koop, en natuurlijk ook een catalogus. En speciaal ter ere van Marten en Oopjen verschenen een Gouden Boekje en een setje Playmobil!

High Society – Vier eeuwen glamour
Tot en met 3 juni 2018
Rijksmuseum
Museumstraat 1
Amsterdam

My name is Prince – The official exhibition. Beurs van Berlage

Als Prince Rogers Nelson op 21 april 2016 op 57-jarige leeftijd overlijdt laat hij een indrukwekkende erfenis achter. Wat mij betreft in de eerste plaats in de vorm van vele tientallen uren muziek, maar ook de vele concertkaartjes, foto’s en artikelen uit de krant zal ik waarschijnlijk mijn leven lang zorgvuldig bewaren. Dat een verzameling Prince-artefacten vele malen indrukwekkender kan zijn dan mijn bescheiden collectie bewijst de tentoonstelling My name is Prince die na een editie in de O2 te Londen de de Beurs van Berlage in Amsterdam aandoet.  

Nooit meer zal ik mij verheugen op een Prince-concert. Ik bezocht er in vijfentwintig jaar velen: soms in de buurt, maar ook in België en Londen. De voorpret was bijna net zo heerlijk als de concerten zelf. Tijdens mijn eerste concert in de Rotterdamse Kuip regende ik tot op mijn onderbroek nat, tijdens mijn laatste concert in de Ziggo Dome zat ik snakkend naar adem op een trapje achterin de zaal – ik had een zware longontsteking – maar dat alles mocht de pret niet drukken. Ik was een echte Prince-fan. Ik bén een echte Prince-fan. Ooit hoop ik een bezoek te kunnen brengen aan Paisley Park: het voormalige studiocomplex van Prince, nu museum en bedevaartsoord. Dit 65.000 m2 grote complex herbergt naast een aantal studio’s, een nachtclub en een immens podium. Sinds 2016 is Paisley Park toegankelijk voor publiek, maar helaas niet om de hoek gelegen. Het materiaal dat op de tentoonstelling My Name is Prince wordt getoond is rechtstreeks afkomstig uit het complex. Uiteraard keek ik hier al tijden naar uit.   

Bij binnenkomst ontvangt de bezoeker een audiotour, wat in dit geval geen gedoe met het intoetsen van de juiste nummertjes betekent: terwijl je je door de tentoonstellingsruimte beweegt synchroniseert de audio op het apparaatje automatisch met het object waarbij je je in de buurt bevindt, of zoals helemaal aan het begin van de tour: met de vertoonde filmbeelden. De introductiefilm begint met de oudste videoclip van Prince: I wanna be your lover. Het is gelukkig geen lange film: eenmaal binnen wil je namelijk maar één ding: zo snel mogelijk zien wat er allemaal wordt tentoongesteld!   

Dat valt niet tegen: voor wie enige band heeft met de Minneapolis Genius (en/of de geschiedenis van de popmuziek) is het één groot feest der herkenning. De paarse trenchcoat die in de film Purple Rain door Prince werd gedragen: gewoon vlak voor je neus! Het wolkjeskostuum uit de videoclip Raspberry Beret: je zou het kunnen aanraken (wat uiteraard niet is toegestaan)! En daar houdt het wat betreft kostuums niet mee op: Prince beschikte over een zeer uitgebreide garderobe van voor en door hem persoonlijk ontworpen kledingstukken. Angie Marchese, hoofd archieven van Paisley Park en curator van deze tentoonstelling: “Na het overlijden van Prince zijn er op Paisley Park ongeveer 8000 kledingstukken gevonden.”  

Na zijn beginperiode, waarin hij zich op z’n zachtst gezegd wat ordinair kleedde, ontwikkelde zijn verschijning zich tot zeer stijlvol, maar niet minder excentriek. Kenmerkend voor hem werden de highwaisted broeken in kleurige stoffen en opvallende prints, perfect op zijn smalle postuur gesneden. Ze zijn in vele varianten aanwezig. Steeds gecombineerd met enorme hakken, om zijn geringe lengte – Prince was slechts 1.58 meter lang – enigszins te compenseren. Prachtig, maar vermoedelijk de oorzaak van zijn latere heupslijtage. De grote hoeveelheid zware medicatie die hij slikte om de pijn die dit veroorzaakte te verzachten, is hem naar alle waarschijnlijkheid fataal geworden. De met diamanten ingelegde wandelstok waarop Prince leunde schittert naast een blinkend zilverkleurig jasje in één van de vitrines.   

Ik herken de zwart-wit gestippelde outfit van de Lovesexy tour en de perzikkleurige – color you peach and black – kleding van de Sign of the Times concerten.  

Maar kleding is niet het enige waaraan de bezoeker zich kan vergapen. Er zijn ontwerptekeningen voor albumhoezen, er zijn documenten zoals het handgeschreven script voor Purple Rain en krabbels op de songtekst van het nummer Delirious, er zijn tamboerijnen, een microfoonstandaard, gewonnen awards en er zijn natuurlijk gitaren! We weten natuurlijk allemaal dat Prince van niets zoveel hield like he loved his guitar. Het is maar moeilijk te bevatten dat de getoonde Gibson L65 gitaar echt de gitaar is die Prince bespeelde tijdens de tours rondom zijn eerste album en waarmee hij in 1980 zijn tv-debuut maakte. Wie een VIP-ticket koopt mag ook het speciale gedeelte bezoeken dat is ingericht als backstage ruimte vol flightcases en een zeer indrukwekkend mengpaneel. En als kers op de taart mag de VIP één van de Prince-gitaren vasthouden!  

My name is Prince is vergelijkbaar met de tentoonstelling David Bowie is, die in 2016 in het Groninger Museum was te zien, al had ik in Groningen iets meer het gevoel dat de hoofdrolspeler tot leven werd gewekt. Dit vooral vanwege de concert-experience waar je als bezoeker volledig in op kon gaan. Naar ik heb begrepen hadden de organisatoren aan deze tentoonstelling graag een soortgelijke ervaring toegevoegd, maar werden zij toch enigszins beperkt door de familie Nelson opgelegde restricties. Verder had ik het interessant gevonden behalve te te gekke kostuums en voorwerpen wat meer verhalen uit het persoonlijke leven van Prince te horen: over zijn keuzes op het gebied van religie bijvoorbeeld. En wat dat voor zijn creatieve uitingen betekende. Persoonlijk vind ik het arsenaal aan artiesten waarmee Prince heeft samengewerkt erg indrukwekkend. Dit komt echter nauwelijks aan bod. Ik moet hier een slag om de arm houden: op het moment van de persbezichtiging was de audiotour nog niet beschikbaar, waardoor ik informatie gemist kan hebben.   

De tentoonstelling sluit met een hek, een replica van de Memorial Fence bij Paisley Park waarbij rouwende fans na het overlijden van Prince bloemen, berichtjes en hun eigen creatieve uitingen achterlieten. Voel je vooral vrij hetzelfde te doen bij deze kopie.   Natuurlijk ga je niet met lege handen naar huis. Een winkeltje biedt volop merchandise in de vorm van mokken, pins, mutsen en t-shirts. Toch een beetje het concertgevoel.   Na mijn bezoek kan ik zeggen: als Prince-fan moet je je met spoed naar de Beurs van Berlage begeven! Je zult diep onder de indruk zijn. Dichter bij de ervaring van de Paisley Park bezoeker zul je op Nederlands grondgebied niet komen. En wie Prince nooit in levende lijve mocht aanschouwen: ontzettend jammer, maar hier kun je het gemis een klein beetje goedmaken.

My name is Prince – The official exhibition
Tot en met 8 juni 2018
Beurs van Berlage Amsterdam  

 
Als Prince Rogers Nelson op 21 april 2016 op 57-jarige leeftijd overlijdt laat hij een indrukwekkende erfenis achter. Wat mij betreft in de eerste plaats in de vorm van vele tientallen uren muziek, maar ook de vele concertkaartjes, foto’s en artikelen uit de krant zal ik waarschijnlijk mijn leven lang zorgvuldig bewaren. Dat een verzameling Prince-artefacten vele malen indrukwekkender kan zijn dan mijn bescheiden collectie bewijst de tentoonstelling My name is Prince die na een editie in de O2 te Londen de de Beurs van Berlage in Amsterdam aandoet.
 
 
Nooit meer zal ik mij verheugen op een Prince-concert. Ik bezocht er in vijfentwintig jaar velen: soms in de buurt, maar ook in België en Londen. De voorpret was bijna net zo heerlijk als de concerten zelf. Tijdens mijn eerste concert in de Rotterdamse Kuip regende ik tot op mijn onderbroek nat, tijdens mijn laatste concert in de Ziggo Dome zat ik snakkend naar adem op een trapje achterin de zaal – ik had een zware longontsteking – maar dat alles mocht de pret niet drukken. Ik was een echte Prince-fan. Ik bén een echte Prince-fan. Ooit hoop ik een bezoek te kunnen brengen aan Paisley Park: het voormalige studiocomplex van Prince, nu museum en bedevaartsoord. Dit 65.000 m2 grote complex herbergt naast een aantal studio’s, een nachtclub en een immens podium. Sinds 2016 is Paisley Park toegankelijk voor publiek, maar helaas niet om de hoek gelegen. Het materiaal dat op de tentoonstelling My Name is Prince wordt getoond is rechtstreeks afkomstig uit het complex. Uiteraard keek ik hier al tijden naar uit. 
 
 
Bij binnenkomst ontvangt de bezoeker een audiotour, wat in dit geval geen gedoe met het intoetsen van de juiste nummertjes betekent: terwijl je je door de tentoonstellingsruimte beweegt synchroniseert de audio op het apparaatje automatisch met het object waarbij je je in de buurt bevindt, of zoals helemaal aan het begin van de tour: met de vertoonde filmbeelden. De introductiefilm begint met de oudste videoclip van Prince: I wanna be your lover. Het is gelukkig geen lange film: eenmaal binnen wil je namelijk maar één ding: zo snel mogelijk zien wat er allemaal wordt tentoongesteld! 
 
 
Dat valt niet tegen: voor wie enige band heeft met de Minneapolis Genius (en/of de geschiedenis van de popmuziek) is het één groot feest der herkenning. De paarse trenchcoat die in de film Purple Rain door Prince werd gedragen: gewoon vlak voor je neus! Het wolkjeskostuum uit de videoclip Raspberry Beret: je zou het kunnen aanraken (wat uiteraard niet is toegestaan)! En daar houdt het wat betreft kostuums niet mee op: Prince beschikte over een zeer uitgebreide garderobe van voor en door hem persoonlijk ontworpen kledingstukken. Angie Marchese, hoofd archieven van Paisley Park en curator van deze tentoonstelling: “Na het overlijden van Prince zijn er op Paisley Park ongeveer 8000 kledingstukken gevonden.”
 
 
Na zijn beginperiode, waarin hij zich op z’n zachtst gezegd wat ordinair kleedde, ontwikkelde zijn verschijning zich tot zeer stijlvol, maar niet minder excentriek. Kenmerkend voor hem werden de highwaisted broeken in kleurige stoffen en opvallende prints, perfect op zijn smalle postuur gesneden. Ze zijn in vele varianten aanwezig. Steeds gecombineerd met enorme hakken, om zijn geringe lengte – Prince was slechts 1.58 meter lang – enigszins te compenseren. Prachtig, maar vermoedelijk de oorzaak van zijn latere heupslijtage. De grote hoeveelheid zware medicatie die hij slikte om de pijn die dit veroorzaakte te verzachten, is hem naar alle waarschijnlijkheid fataal geworden. De met diamanten ingelegde wandelstok waarop Prince leunde schittert naast een blinkend zilverkleurig jasje in één van de vitrines. 
 
 
Ik herken de zwart-wit gestippelde outfit van de Lovesexy tour en de perzikkleurige – color you peach and black – kleding van de Sign of the Times concerten.
 
 
Maar kleding is niet het enige waaraan de bezoeker zich kan vergapen. Er zijn ontwerptekeningen voor albumhoezen, er zijn documenten zoals het handgeschreven script voor Purple Rain en krabbels op de songtekst van het nummer Delirious, er zijn tamboerijnen, een microfoonstandaard, gewonnen awards en er zijn natuurlijk gitaren! We weten natuurlijk allemaal dat Prince van niets zoveel hield like he loved his guitar. Het is maar moeilijk te bevatten dat de getoonde Gibson L65 gitaar echt de gitaar is die Prince bespeelde tijdens de tours rondom zijn eerste album en waarmee hij in 1980 zijn tv-debuut maakte. Wie een VIP-ticket koopt mag ook het speciale gedeelte bezoeken dat is ingericht als backstage ruimte vol flightcases en een zeer indrukwekkend mengpaneel. En als kers op de taart mag de VIP één van de Prince-gitaren vasthouden!
 
 
My name is Prince is vergelijkbaar met de tentoonstelling David Bowie is, die in 2016 in het Groninger Museum was te zien, al had ik in Groningen iets meer het gevoel dat de hoofdrolspeler tot leven werd gewekt. Dit vooral vanwege de concert-experience waar je als bezoeker volledig in op kon gaan. Naar ik heb begrepen hadden de organisatoren aan deze tentoonstelling graag een soortgelijke ervaring toegevoegd, maar werden zij toch enigszins beperkt door de familie Nelson opgelegde restricties. Verder had ik het interessant gevonden behalve te te gekke kostuums en voorwerpen wat meer verhalen uit het persoonlijke leven van Prince te horen: over zijn keuzes op het gebied van religie bijvoorbeeld. En wat dat voor zijn creatieve uitingen betekende. Persoonlijk vind ik het arsenaal aan artiesten waarmee Prince heeft samengewerkt erg indrukwekkend. Dit komt echter nauwelijks aan bod. Ik moet hier een slag om de arm houden: op het moment van de persbezichtiging was de audiotour nog niet beschikbaar, waardoor ik informatie gemist kan hebben. 
 
 
De tentoonstelling sluit met een hek, een replica van de Memorial Fence bij Paisley Park waarbij rouwende fans na het overlijden van Prince bloemen, berichtjes en hun eigen creatieve uitingen achterlieten. Voel je vooral vrij hetzelfde te doen bij deze kopie.
 
Natuurlijk ga je niet met lege handen naar huis. Een winkeltje biedt volop merchandise in de vorm van mokken, pins, mutsen en t-shirts. Toch een beetje het concertgevoel.
 
Na mijn bezoek kan ik zeggen: als Prince-fan moet je je met spoed naar de Beurs van Berlage begeven! Je zult diep onder de indruk zijn. Dichter bij de ervaring van de Paisley Park bezoeker zul je op Nederlands grondgebied niet komen. En wie Prince nooit in levende lijve mocht aanschouwen: ontzettend jammer, maar hier kun je het gemis een klein beetje goed maken. 
 
My name is Prince – The official exhibition
Tot en met 8 juni 2018
Beurs van Berlage
Amsterdam